Inleiding in de filosofie van de kunsten (esthetica)
HOVO Nijmegen
Radboud Universiteit
september-december 2010
Deze pagina is verlopen. Controleer het menu boven (onder Teaching) voor een recente editie van deze cursus, indien beschikbaar.
Handouts
(Deze samenvattingen zijn beschikbaar na colleges)
Inhoud
Kunst is belangrijk voor een cultuur en tegelijkertijd lijkt ze weggestopt in ontoegankelijke instituten. In deze cursus wordt een overzicht gegeven van de rijkdom van de filosofische benaderingen van de kunst waarbij belangrijke auteurs aan de orde zullen komen. Zo meende Plato dat we voor onze kennisvergaring niet bij de kunst moesten zijn, terwijl Aristoteles de tragedie het vermogen toedichtte ons diepgaande inzichten te bezorgen. Hume betoogde dat we wel veel praten over kunst maar elkaar niet kunnen overtuigen dat iets mooi is. Kant begreep schoonheid als een symbool van de moraal; Gadamer zag in kunst een typische begripservaring. Adorno verdedigde de Avant-Garde tegen de massa-kunst. En Wittgenstein ten laatste meende dat de ervaring van betekenis goed begrepen kon worden door naar onze omgang met kunst te kijken. Daarnaast zullen enkele kenmerkende kwesties besproken worden die ons helpen te begrijpen waarom kunst voor een cultuur van levensbelang is. Kwesties rond authenticiteit en de vervalsing van kunst; het verschil tussen foto’s die bewijzen wat ze tonen en schilderijen die ons de visie van een kunstenaar bijbrengen; de recente opkomst van Immorele Kunst en hoe die ons leert waar de grenzen en kenmerken van de kunstpraktijk liggen.
Ongelovige Thomas.
Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610)
Over de docent
Dr. Rob van Gerwen, docent en onderzoeker aan departement Wijsbegeerte (faculteit Geesteswetenschappen), en aan University College, van Universiteit Utrecht. Hij is verbonden aan de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en de Hogeschool der Kunsten te Utrecht en heeft een eigen bedrijf: Consilium Philosophicum.
Hij publiceerde vele artikelen en vijf boeken, meest over onderwerpen uit de filosofie van de kunst. Hieronder een met cum laude beoordeeld proefschrift, Art and Experience; een boek over Wollheims benadering van schilderkunst, bij Cambridge University Press, en, bij het Centraal Museum in Utrecht, Kleine overpeinzingen. Over kunst kijken in het museum. Hij rondt momenteel een boek af over gelaatsexpressie en cosmetische chirurgie. Op zijn website vindt men verder onderwijsbeschrijvingen, filosofische overpeinzingen, artikelen, voordrachten en een weblog.
Weekschema
1. 29 september. Inleiding
...in het vakgebied en in de cursus. De verschillen tussen een historisch overzicht
van de esthetica en de bespreking van een paar cruciale problemen uit de filosofie
van de kunsten. De esthetica als filosofische discipline bestaat pas een paar eeuwen,
ze begon in de achttiende eeuw, maar hoe? Welke stromingen en kwesties komen de
volgende weken aan de orde?
Leeswerk: Kristeller, “The Modern System of the Arts.”
2. 6 oktober. David Hume
De empiristische benadering van het criterium van schoonheid. Waarom discussiėren we over de schoonheid van een film of muziekstuk als het toch allemaal zo subjectief is—over smaak valt niet te twisten, toch? Wat doe je eigenlijk als je zegt dat je iets mooi vindt? Beschrijf je dan iets, en is dat het mooie object, of je eigen gevoel? Kan een smaakoordeel dan waar/onwaar zijn? Kan het wetenschappelijk bewezen worden? Of beschrijf je helemaal niets, maar druk je gewoon een gevoel uit?
Hume denkt dat laatste, maar komt in de problemen omdat hij wel beseft dat er grote verschillen zijn tussen de werken van Beethoven en die van Madonna (mijn voorbeeld). Maar hoe kan dat dan? Zijn er experts wiens oordeel eenieder zou moeten overnemen?
Leeswerk: “II Empiristische benaderingen.” In Kennis in schoonheid, 37–55, vooral 44–55.
3. 13 oktober. Imanuel Kant
De analyse van het smaakoordeel door de grondlegger van de moderne esthetica. Als
we over schoonheid oordelen betrekken we de voorstelling van het object op ons
eigen gevoel en niet met verstandsbegrippen op het object. We oordelen
belangeloos, leiden de schoonheid van iets niet af van begrippen of van morele
goedheid. Het is alsof het object voor onze kenvermogens gemaakt is. Maar de
ervaring die we aldus verkrijgen is mededeelbaar en dat maakt schoonheid zo
belangrijk.
Leeswerk: “III De transcendentale benadering.” In Kennis in schoonheid, 56–86,
vooral: 67–82
4. 27 oktober. Kant nogmaals
Kants kunstfilosofie. In de vorige bijeenkomst hebben we gezien hoe Kants
subjectivisme over schoonheid begrepen moet worden, maar hoe denkt hij dan over
kunst? Bij een kunstwerk moeten we toch interpreteren, uitzoeken wat de
kunstenaar bedoelde—dat zijn toch cognitieve overwegingen? Zitten die het
subjectieve schoonheidsoordeel niet in de weg?
Leeswerk: “III De transcendentale benadering.” In Kennis in schoonheid,
82–86
5. 3 november. Hans-Georg Gadamer
De hermeneutische benadering. Volgens Gadamer spreekt iedere kunstwerk zijn
eigen eenmalige unieke taal. Dat betekent evenwel niet dat we daar een sluitende
interpretatie van kunnen maken die iedereen maar moet overnemen. Nee, ieder
kunstwerk spreekt iedere beschouwer persoonlijk aan. Hoe moeten we dat
begrijpen?
Leeswerk: “VII Een hermeneutische benadering.” In Kennis in schoonheid, 152–72,
vooral: 163–72
6. 10 november. Theodor Wiesengrund Adorno
De Kritische benadering. Adorno schrijft de avant-garde kunsten een vermogen toe
dat hij de wetenschappen ontzegt: de particulariteit van het eenmalige voor het
voetlicht brengen. Waar de wetenschappen abstraheren en universaliseren toont het
kunstwerk het Andere—kort en tijdelijk. We krijgen er geen grip op. Als geen
andere estheticus heeft Adorno geworsteld met de vraag naar de mogelijkheid om
het lijden (van de Joden) te representeren.
Leeswerk: “VIII Een kritische benadering.” In Kennis in schoonheid, 173–198,
vooral: 182–98
7. 17 november. Ludwig Wittgenstein
Filosofische grammatica. Van Wittgenstein ging een grondige kritiek uit op alle systematische benaderingen van filosofische kwesties. Veel belangrijke filosofische kwesties zijn volgens hem ontstaan omdat we een analogie zien tussen bepaalde zinnen en daarom ook maar denken dat de werkelijkheden waar die zinnen over gaan analoog begrepen moeten worden. De taal is echter vaak “on holiday”. Een boek zit heel anders in mijn tas dan een gedachte in mijn hoofd.
We zullen vele voorbeelden bespreken en het belang van Wittgensteins
benadering van esthetische kwesties laten zien. Hij heeft onder meer een grote
invloed gehad op de discussies die de afgelopen zestig jaar in de analytische filosofie
zijn gevoerd.
Leeswerk: “X. Filosofische Grammatica.”, zie reader (achterin).
8. 24 november. Waarom fotografie geen kunst is.
Roger Scruton over het verschil met schilderkunst. Volgens Scruton is een typische
foto het resultaat van een mechanisch-chemisch proces: men drukt op de knop van
de camera en na een tijdje heb je een foto in je hand. Dat kan iedereen. Een
schilderij daarentegen komt heel wat moeizamer tot stand: streep voor streep moet
men zijn beeld opbouwen. De foto hangt causaal af van het afgebeelde, het schilderij
hang intentioneel af van het afgebeelde. Om die reden kan men met een schilderij
ook een visie op het onderwerp weergeven, en met een foto niet.. En daarom is
een (ideale, d.w.z. onbewerkte) foto geen kunst. Foto’s zijn zelfs inherent
pornografisch.
Leeswerk: Scruton, Roger. “Photography and Representation.”
9. 1 december. Stijl in schilderkunst
Richard Wollheim over individuele stijl. We kunnen schilderijen “van buitenaf”
categoriseren, zoals kunsthistorici doen, door te spreken van de typische
Renaissance-, of neo-gotiek-stijlen. Maar van een geheel andere orde is een opvatting
van stijl die het hebben van een stijl koppelt aan de ontwikkeling van de schilder
zelf. Waarom schildert Picasso zoals hij dat doet? Hoe bouwt hij een schilderij op?
Wollheim ontwikkelt een manier om naar schilderijen te kijken die in die schilderijen
de individuele kunstenaar zichtbaar maakt.
Leeswerk: Wollheim, Richard. “Pictorial Style: Two Views.”
10. 8 december. Immorele kunst, een nieuwe kunstvorm
Een actuele kwestie filosofisch benaderd. We zien steeds vaker objecten en
installaties in de musea, maar ook op straat, waar we geneigd zijn met enige
verontwaardiging te reageren: moet dat nou? Goudvissen in een mixer; een
kunstenaar die haar gelaat laat verbouwen met cosmetische chirurgie om daar
trekken van beroemde vrouwen uit de kunstgeschiedenis op te laten aanbrengen; een
synagoge die met uitlaatgassen wordt gevuld; een stervende hond in een galerie met
eten en drinken net buiten het bereik van zijn leiband. Dit zijn maar enkele
voorbeelden van “werken” die ons immoreel toeschijnen. Maar kan kunst wel
immoreel zijn? Kunst is toch een autonome praktijk—alles wat er in die praktijk of
uit naam ervan gebeurt moet toch moreel acceptabel zijn? Ik zal deze kwestie
benaderen en daarbij een definitie van kunst bespreken waarmee we uit de voeten
kunnen.
Leeswerk: Rob van Gerwen. “How the Present Rise of Immoral Art Helps Clarify
Both the Definition and the Moral Autonomy of Art. A Post-Script to Ethical
Autonomism.”
Literatuur
Alle benodigde teksten zijn uitgereikt in een reader. U vindt hierin het integrale boek Kennis in schoonheid, waaraan een hoofdstuk over Ludwig Wittgenstein is toegevoegd. En verder onderstaande artikelen:
Referenties