Utrecht University            

Rob van Gerwen's | Welcome | Teaching | Research | Contact | Weblog | Sitemap | Consilium Philosophicum

Courses | Index | Guest lectures | Inleiding kunstfilosofie (UU) | Kunst en het kwaad (UU) | Wetenschapsfilosofie in contex (UU) | HUM291 Reason, Truth and Beauty (UCU)
Extra-curricular Blackboard | UCU-Workspace | Tutoraat | Academische Master | Scripties | Leeronderzoek esthetica | Mind and Art | Art and morality | Capita Selecta Aesthetics

Rob van Gerwen

14 July 2017: 19:10

Home  blog Begrippen Blackboard

Filosofie in praktijk (en argumentatie)

WY2V17001
periode 1, 2017-18

dr. Rob van Gerwen

Inhoudsopgave (regels en opzet van de cursus)

| inhoud | leerdoelen | vooraf | inschrijving | literatuur | deadlines | locatie | bijeenkomsten |

Praktische rollen van (filosofische) argumentatie

Aangezien filosofie centraal om de concepten draait waarmee wij onze werkelijkheid begrijpen, en aangezien begrijpen niet alleen verklaren en uitleggen is maar ook overtuigen en overreden, mag duidelijk zijn dat argumentatie een centrale methode voor filosofie is. Maar is alle argumentatie filosofisch? Welke is dat wel? Louter formeel kent argumentatie grenzen, die in de logica bestudeerd en geformuleerd worden. Maar argumentatie is niet adequaat te begrijpen met formele logica, omdat ze ook gericht is aan een specifiek publiek—filosofische argumentatie aan een universeel, rationeel publiek.
Argumentatie is informele logica. In deze cursus onderzoeken we methoden om argumentaties (en drogredenen) in kaart te brengen, te analyseren en te beoordelen, en bespreken we soorten argumentatie: zowel discursieve (in taal) als niet-discursieve. Kortom, wat is informele logica in de praktijk?
Argumentatie vindt altijd plaats in een context waarin partijen andere partijen van een positie proberen te overtuigen—zo'n context is een praktijk, met zijn eigen regels en doelen. Argumentatie is ook zelf een praktijk—een retorische situatie. Naast argumentatie zal het in deze cursus dan ook tevens over praktijken gaan: wanneer vormen handelingen een praktijk; hoe werkt een praktijk, wat zijn de regels en grenzen van praktijken; hoe houden praktijken zich in stand? De manier waarop deelnemers aan een praktijk onderling de regels en waarden beheren kan men ook met de retorica onderzoeken, en de retorica is zelf ook een voorbeeld van een praktijk. Kortom: wat is de argumentatieve kern van een praktijk?
Typisch filosofische argumentatie vinden we in pogingen om concepten te definiëren in termen van noodzakelijke en voldoende voorwaarden. Als casus nemen we hierbij de definitie van kunst. Velen menen dat kunst niet gedefinieerd kan worden, maar bekeken vanuit de praktijk die kunst ook is, kunnen we deze definitie-kwestie mogelijk verder brengen. De menselijke werkelijkheid als een verzameling praktijken beschouwen biedt dus ook filosofisch methodologisch voordeel.
Een praktijk is een samenhangend geheel van (menselijke!) handelingen die gestuurd worden door regels, waarden en verwachtingen. Praktijken onderhouden een gespannen relatie met instituties: soms worden de regels door de instituties aangeleverd, soms van onderop door degenen die aan de praktijk deelnemen. Het belang van waarden, regels en verwachtingen in menselijk gedrag is onderwerp van verschillende deelgebieden van de filosofie, met name de praktische filosofie (ethiek, wijsgerige antropologie, esthetica en politieke filosofie).
We komen zo vanzelf uit bij niet-discursieve vormen van argumentatie en illustreren die met visuele argumentatie en humor en de normen van succes die daar gelden.

Argument

Retorica

Iets duidelijk maken in de context van een praktijk.

Leerdoelen

Studenten krijgen inzicht in filosofische theorieën over argumentatie, praktijken en retorica. Ze kunnen argumentaties analyseren en beoordelen, praktijken onderscheiden en filosofische problemen onderzoeken en analyseren vanuit het perspectief van praktijken en retorica.

Toetsing

* De toetsing voor deze cursus bestaat uit een schriftelijke tussentoets (30%), actieve aanwezigheid (inclusief maken van opdrachten en reflecties, en feed-back geven aan anderen) (35%) en een schriftelijke eindtoets (35%).
* In de werkgroep worden argumentaties in kaart gebracht, geanalyseer en beoordeeld, en worden door studenten geschreven reflecties (van maximaal 600 woorden) kritisch besproken; eerst in groepjes onderling, dan plenair.
Opdrachten: 1. groepsopdracht reconstructie en beoordeling argumentatie (dl. 28 september); 2. humor (dl. 26 oktober); 3. visuele argumentatie (dl. 30 oktober). (zie deadlines).

Geschreven werk dat becijferd wordt, dient per email ingeleverd te worden, in een Word-doc, aangehecht aan de mail. Begin de titel van je werk altijd met je achternaam, zo, bijvoorbeeld:
BergenHarrievanOpdrachtHumor.doxc

* Eventuele veranderingen deel ik mee via Blackboard.

Bijeenkomsten

Let op: om het beste uit deze cursus te halen wordt er door studenten geen gebruik gemaakt van laptops en smartphones tijdens de bijeenkomsten. Het is bewezen dat de concentratie er veel beter van wordt en dat je door met de hand aantekeningen te maken veel meer oppikt van de stof. Dit beleid is in overeenstemming met universiteiten in de VS en elders in Nederland, en met ons eigen honours-onderwijs.

Aanbevolen wordt om vooraf de handouts van de colleges uit te printen, zodat je niet alles van de beamer presentaties hoeft over te schrijven. Zie Blackboard.

Voorbereiding werkgroepen. Wanneer we reflecties van de studenten bespreken, breng dan twee geprinte exemplaren van je eigen reflectie mee naar de werkgroep, waarvan er één voor je werkgroepleider is.
In deze korte reflecties bespreken studenten een filosofische kwestie die aansluit bij een van de theorieën die in de colleges van de voorafgaande week aan de orde zijn geweest. Je kunt je vrij laten leiden door de onderwerpen die besproken zijn. In een reflectie begin je met een probleemstelling (doorgaans uit de literatuur gehaald), een these daarover en een strategie: hoe denk je over het probleem; welke oplossing sta je voor? Geef duidelijke argumenten voor je overwegingen. De uiteindelijke bedoeling is dat je zelf een these verdedigt. Meer uitleg vind je op Blackboard.
Je kunt je hierbij laten inspireren door dit soort deelvragen (je hoeft ze niet expliciet te beantwoorden!):

  1. Wat kunnen wij van (een van) de besproken theorieën leren?
  2. Welke nieuwe filosofische inzichten zitten erin?
  3. Hoe verhoudt de centrale these erin zich tot die van andere posities?
  4. Als je de centrale stellingen van de tekst zou aanvaarden, wat zou dat dan voor implicaties voor je eigen visie moeten hebben?

Vooral de laatste vraag geeft een goede indicatie van wat er van een reflectie verwacht wordt: een filosofisch inzicht.

Aanwezigheidsplicht Om ervoor te zorgen dat iedereen in de zaal over dezelfde achtergrondkennis beschikt, geldt voor deze cursus een aanwezigheidsplicht. Mocht je onverhoopt een hoorcollege moeten missen, mail dan uiterlijk twee dagen later het bewijs dat je het ervoor gevraagde werk wel hebt gedaan: een korte samenvatting over de te lezen literatuur. Mailen aan de cursus-coördinator: Rob van Gerwen.
Mocht je een werkgroep missen, mail dan je werk (reflecties, of gemaakte oefeningen uit het boek) binnen twee dagen naar de werkgroepleider van de gemiste werkgroep.
Hou er alsjeblieft rekening mee dat je aanwezigheid in de werkgroep ook een bijdrage is aan het welslagen van de bijeenkomst.
Wie gemiste bijeenkomsten niet "compenseert", verspeelt het recht op herkansing.

Bij de toetsen worden alle tot dan behandelde teksten en onderwerpen bekend verondersteld. De nadruk bij de eindtoets ligt op de stof sinds de tussentoets.

Advies: We checken de samenvattingen maar op één criterium: "heeft de student zich met de voorgeschreven literatuur bezig gehouden?" Slechts weinig samenvattingen die ik langs deze route ontvang voldoen als samenvatting. (Dus denk niet, als je je voor een toets aan het voorbereiden bent: "Mijn samenvattingen zijn door de docent goed gekeurd". Dat zijn ze dus niet. De verantwoordelijkheid blijft altijd bij de student.

Voorgeschreven literatuur

Bowell, Tracy, and Gary Kemp, eds. 2015. Critical Thinking. A Concise Guide. 4th. ed. London, New York: Routledge.
Losse artikelen, aangeleverd via Blackboard (zie menu boven, bij Extra-curriculair).

Inschrijving

De inschrijving voor deze cursus verloopt via Osiris.
Heb je problemen met inschrijving? Check het studiepunt. Je vindt hier ook de randvoorwaarden.
Studenten (HBO en WO) van buiten de Universiteit Utrecht kunnen F&R vakken volgen. Voor inschrijving kan men bij de onderwijsadministratie een inschrijfformulier aanvragen. (E: Onderwijssecretariaat.gw@uu.nl Tel.: 030-2531831).

WhatsApp

Is WhatsApp een praktijk?

Locatie

Maandag
13.15-15.00 uur: Hoorcollege: Drift 25, 002

15.15-17.00 uur: Werkgroepen:
Drift 25, 101 (WGa Rob)
(Drift 23, 113 (WGb))

Donderdag 09.00 - 10.45: Werkgroepen:
ICU SPINOZA 205 (WGa Rob)
(KNG80, 006 (WGb))

Deadlines en speciale data
Opdrachten op de werkgroep Uitgeprint in tweevoud
Tussentoets Donderdag 5 oktober 2017, 11.00-13.00 uur n.n.b.
Opdrachten Donderdag 28 september 2017, donderdag 26 oktober 2017 en
Maandag 30 oktober 2017
Word.doc aangehecht aan een email aan de docent (geen pdf!!)
Eindtoets Donderdag 2 november 2017, 11.00-13.00 uur n.n.b.
Week 1

Maandag 11 september 2017
HC 1 Inleiding

Wat er op college besproken wordt
Hoe gaan we in deze cursus te werk? Wat is filosofie? Wat zijn open en gesloten vragen? Hoe wordt er over praktijken gedacht? Wat is een praktijk? Zonder toewijding geen praktijk, maar is georganiseerde toewijding voldoende om van een praktijk te spreken? Kun je toegewijd zijn aan een immorele praktijk, ofwel: hoe verhouden praktijken zich tot de moraal? En hoe verhouden ze zich tot instituties en de wet?
Wat zijn de thema's? Vandaag: een overzicht. De verdiensten van de pragmatische benadering.

Wanneer is een uitspraak een argument, wat is argumentatie? Verschillen argumentatieleer (informele logica) en logica. Hoe expliciet moet een argument zijn om er een te zijn?
Hoe stel je vast wat iemand bedoelt als hij het niet letterlijk gezegd heeft? Welke rol speelt het publiek en de context van een gesprek/speech?


Vooraf lezen:

Bowell, Tracy, and Gary Kemp. 2015. “Introducing Arguments.” In Critical Thinking. A Concise Guide, 3rd, 3–27. London, New York: Routledge. Walton, Douglas N. 1990. “What is Reasoning? What Is an Argument?” The Journal of Philosophy 87:399–419.


Verdieping (facultatief):

Johnson, Ralph H. 1999. “The relation between formal and informal logic.” Argumentation 13:265–74. Johnson, Ralph H. 2000. “Informal logic: An overview.” Informal Logic 20:93–99.

WG 1. Wat zijn argumenten?


Vooraf lezen:

Bowell, Tracy, and Gary Kemp. 2015. “Introducing Arguments.” In Critical Thinking. A Concise Guide, 3rd, 3–27. London, New York: Routledge.

Donderdag 14 september 2017
WG 2. Taal en retorica

Oefeningen argumentatie-analyse. Hoe herken je argumenten; hoe analyseer je ze; hoe stel je impliciete argumenten vast? Wat is de relatie tussen de woorden en de context waarin ze geuit worden?


Vooraf lezen:

Bowell, Tracy, and Gary Kemp. 2015. “Language and Rhetoric.” In Critical Thinking. A Concise Guide, 3rd, 28–63. London, New York: Routledge.


Verdieping (facultatief):

Frogel, Shai. 2009. “Who is the Addressee of Philosophical Argumentation?” Argumentation 23:397–408. Austin, J. L. 1962. How to Do Things with Words. Oxford: Oxford University Press.

Week 2

Maandag 18 september 2017
HC 2 Plato en de sofisten: dialectiek en opinie

Sofisten waren rondreizende leraren die tegen betaling argumentatie doceren aan politici, juristen, rijken. Plato verzette zich hiertegen en stelde de dialektiek voor als een waardevrije zoektocht naar definities en waarheid.


Vooraf lezen:

Plato Phaedrus (selectie) Paul Woodruff. 2006. "Rhetoric and relativism: Protagoras and Gorgias". Cambridge Companion on Early Greek Philosophy, 290-310. [Blackboard]


Verdieping (facultatief):

"The Sophists". The Columbia History of Western Philosophy, Richard Popkin (ed.), 20-32 Plato Gorgias Plato: Works online

WG 3. Apologie

David: De dood van Socrates

De dood van Socrates

Jacques-Louis David.

In Plato's Apologie lezen we hoe Socrates zich (niet) verdedigt bij zijn veroordeling tot de gifbeker voor het bederven van de jeugd: een dialektisch denkende sofist die zich niet laat betalen om te voorkomen dat hij zijn broodheren naar de mond gaat praten.


Vooraf lezen:

Plato's Apologie (online)

Donderdag 21 september 2017
WG 4. Argumentatie-reconstructie

Bij het omzetten van een argumentatie in standaard-notatie blijken sommige argumenten verzwegen, andere dubbel, en staan de argumenten niet altijd in de logische volgorde die ze in de argumentatie zouden moeten hebben. De reconstructie verschaft hier helderheid en overzicht.
We doen oefeningen en reconstrueren een ingezonden brief in groepjes.


Vooraf lezen:

Bowell, Tracy, and Gary Kemp. 2015. “The Practice of Argument-Reconstruction.” In Critical Thinking. A Concise Guide, 3rd, 133–183. London, New York: Routledge.


Verdieping (facultatief):

Week 3

Maandag 25 september 2017
HC 3 Aristoteles' retorica

...Truth springs from argument amongst friends.David Hume...

Aristoteles: Argument en enthymeem (Hoofdstuk uit Rhetorica). Onderscheid tussen logos, ethos en pathos. Romeins-Hellenistische retorica.

Drogredenen en Pseudo-redenering; tegen de achtergrond van Aristoteles' De Sophisticis elenchis. [dialectica]
De 'standaardbenadering' en voorbeelden.


Vooraf lezen:

Marc Huys: "Bill Clinton, Monica Lewinsky en de Rhetorica van Aristoteles", Kleio 29 (2000), p. 110-134. Hier gereproduceerd met vriendelijke toestemming van de auteur. Bill Clinton: de Monica Lewinski-affaire (17 augustus 1998)


Verdieping (facultatief):

Aristoteles Rhetorica (online, selectie) Diagonaal lezen Cicero: De Orator. Martin Luther King, jr., "I have a Dream" Nelson Mandela: Inaugural Speech, Pretoria, 10 mei 1994 De Rijk. "De Methode Aristoteles."

Tekst Analytica posteriora [logica] Tekst Topica [dialectica] Eleonore Stump, Dialectic and Aristotle's Topics

WG 5. Drogredenen in Holocaust ontkenning

We kijken voornamelijk naar de drogredenen in teksten van Holocaust ontkenners. Daarnaast analyseren we ofwel Clintons verdediging ofwel een persidentiële inauguratie, die van Trump?


Vooraf lezen:

Bill Clinton: de Monica Lewinski-affaire (17 augustus 1998) Najarian, James. 1997. “Gnawing at History: the Rhetoric of Holocaust Denial.” The Midwest Quarterly 39:74–89.
Bekijk ook deze top 20 van logical fallacies

Donderdag 28 september 2017
WG 6. Argumentatie-beoordeling [groepsopdracht]

Reconstrueer en beoordeel een ingezonden brief. [groepsopdracht, in wg maken, voor middernacht inleveren; zet er duidelijk bij wie aan de opdracht hebben deelgenomen]


Vooraf lezen:

Bowell, Tracy, and Gary Kemp. 2015. “Issues in Argument-Assessment.” In Critical Thinking. A Concise Guide, 3rd, 184–218. London, New York: Routledge.


Verdieping (facultatief):

Week 4

Maandag 2 oktober 2017
HC 4 Pragmadialectiek

Pragmadialectiek en drogredenen: Men kan argumentaties ook zien als kritisch-rationele discussies waarbij er regels gelden zoals elkaar de gelegenheid geven zich uit te spreken, elkaar aanspreken op gevolgen van wat men zegt. Van Eemeren en Grotendorst zien de Pragmadialektiek als bijdrage aan het oplossen van meningsverschillen.

Waltons context-gerichte analyse van een drogreden: Douglas Walton meent dat redeneringen alleen drogredenen zijn binnen de context waarin ze figureren. We zullen zien dat de benadering van argumentatie zo heel dicht bij de praktijkbenadering komt.


Vooraf lezen:

Van Eemeren. "Pragmadialektiek" (incl. 10 geboden). van Eeemeren, Frans H., Rob Grootendorst, and Francisca Snoeck Henkemans, eds. 1997. Handboek Argumentatietheorie. Groningen: Martinus Nijhoff. 10.1 tm. 10.4 (Blackboard) Walton, Douglas. 1995. ``Appeal to pity: A case study of the ``argumentum ad misericordiam''.'' Argumentation 9:769--784.


Verdieping (facultatief):

Erik Krabbe: “Wat is eigenlijk een Drogreden?” Groningen, 1996. http://irs.ub.rug.nl/ppn/162100434 (Blackboard)

WG 7. Pseudo-redeneringen


Vooraf lezen:

Bowell, Tracy, and Gary Kemp. 2015. “Pseudo-Reasoning.” In Critical Thinking. A Concise Guide, 3rd, 219–263. London, New York: Routledge.


Verdieping (facultatief):

Donderdag 5 oktober 2017, 11.00-13.00 uur
Tussentoets

Tussentoets

Week 5

Maandag 9 oktober 2017
HC 5 Praktijk definiëren. Wittgensteins Filosofische grammatica

``If a concept of this kind applies, this often provides someone with a reason to act, though that reason need not be a decisive one and may be outweighed by other reasons [...]'', B. Williams, Ethics and the Limits of Philosophy, 140.

Theorie versus praktijk; een kort historisch overzicht; Karl Marx, Martin Heidegger, en Wittgenstein over taalspelen. Praktijk: Wittgenstein en Nicolini.

Wat er op college besproken wordt
Een werkdefinitie van praktijk zou moeten verwijzen naar dikke (Williams) waarneming van affordances (Gibson), ofwel taalspelen (Wittgenstein). Daarnaast naar complexe interne feed-back mechanismen tussen centrale objecten, doelen, intenties, ervaringen, instituties en handelingen. Kunnen praktijken praktijken uit- of insluiten? Waar ligt de grens tussen de ene en de andere praktijk?

``Als je bij een vreemde stam kwam waarvan je de taal helemaal niet kende, en je wilde weten welke woorden correspondeerden met `goed', `fijn', etc., waar zou je dan naar zoeken? Je zou zoeken naar glimlachen, gebaren, voedsel, speelgoed.'', Wittgenstein, 2:6)


Vooraf lezen:

Ludwig Wittgenstein. 1992. Filosofische onderzoekingen (1953). Vert. door Maarten Derksen en Sybe Terwee. Amsterdam: Boom, pp. 13-29. Nicolini, Davide. 2012. Chapter "Praxis and Practice Theory: A Brief Historical Overview" in Practice Theory, Work, and Organization. An Introduction, 23–43. Oxford: Oxford University Press.


Verdieping (facultatief):

Bernard Williams. 1985. Ethics and the Limits of Philosophy. London: Fontana Press.

WG 8. Wittgenstein lezen


Vooraf lezen:

Ludwig Wittgenstein. 1992. Filosofische onderzoekingen (1953). Vert. door Maarten Derksen en Sybe Terwee. Amsterdam: Boom, pp. 13-29.


Verdieping (facultatief):

Nicolini, Davide. 2012. Chapter "Praxis and Practice Theory: A Brief Historical Overview" in Practice Theory, Work, and Organization. An Introduction, 23–43. Oxford: Oxford University Press. Bernard Williams. 1985. Ethics and the Limits of Philosophy. London: Fontana Press.

Donderdag 12 oktober 2017
WG 9. Locke (2015) kijken

Locke kijken [plenaire discussie: welke praktijken? Welke regels? Welke deugden? Bourdieu]

``Practice has a logic which is not that of the logician. This has to be acknowledged in order to avoid asking of it more logic than it can give, thereby condemning oneself either to wring incoherences out of it or to thrust a forced coherence upon it.'' (p. 86), P. Bourdieu.

Wat er op college besproken wordt
Hoe werkt een praktijk van binnen? Hoe worden impliciete regels gehandhaafd? Wat is de logica van praktijken?


Vooraf lezen:

Bourdieu, Pierre. 1990. "The Logic of Practice", Chapter 5 of The Logic of Practice, 80–97. Translated by Richard Nice. Polity Press.


Verdieping (facultatief):

Week 6

Maandag 16 oktober 2017
HC 6 Praktijk en ethiek

Praktijk en ethiek [Kant: CJ, Intro]

Wat er op college besproken wordt
Wat zijn deugden en wat zijn er de criteria voor? Bij Homerus lijkt er eerder sprake van uitmuntendheid dan van iets wat wij onder deugd verstaan. En Aristoteles' nadruk op vriendschap is heel anders dan de onze; of zijn phronesis, praktische wijsheid, wat een intellectuele deugd is maar weer geen theoretische kennis. Voor Paulus en Aristoteles, is een deugd "[...] a quality the exercise of which leads to the achievement of the human telos." MacIntyre, p. 184. De vraag is dan uiteraard wat dat telos is. Als verschillende denkers met verschillende lijsten met deugden komen, is er dan wel een gedeeld deugd-concept? MacIntyre beantwoordt die vraag tegen de achtergrond van drie punten: 1. Deugden spelen binnen praktijk en; 2. ze gaan gepaard met een narratieve ordening van het leven van een mens en 3. een morele traditie.
MacIntyres definitie verduidelijkt deze verbanden (zie hieronder).


Vooraf lezen:

Alasdair MacIntyre. 1981. After Virtue. South Bend, Indiana: University of Notre Dame Press [Ch. 14, p. 181-203].


Verdieping (facultatief):

WG 10. MacIntyre: praktijken en deugden

"A virtue is an acquired human quality the possession and exercise of which tends to enable us to achieve those goods which are internal to practices and the lack of which effectively prevents us from achieving any such goods." MacIntyre, p. 191.


Vooraf lezen:

Alasdair MacIntyre. 1981. After Virtue. South Bend, Indiana: University of Notre Dame Press [Ch. 14, p. 181-203].


Verdieping (facultatief):

Donderdag 19 oktober 2017
WG 11. Praktijken, de moraal en ethiek

"The scope of ethics is determined by our thick relations, which determine who our metaphorical neighbor is. But then the hard question arises, What thick relations? The actual ones we happen to have, or the one we are assumed to have or ought to have, which might, in their most extensive scope, encompass all of humankind? Thus morality turns into ethics." Margalit, p. 45

Wat er op college besproken wordt
De zedelijkheid (ethiek) die bij een groep van kracht is, geldt locaal en veronderstelt volgens Margalit herinneringen aan belangrijke kwesties de groep aangedaan. De moraal geldt daarentegen voor alle mensen, en is het product van een universeel gedachte redelijkheid. Kan een universele moraal een praktijk zijn? Wat zijn de verschillen tussen ethiek en moraal?

Margalit: praktijken en de moraal / ethiek [Billington p. 39-40, Love thy neighbour]


Vooraf lezen:

Avishai Margalit. 2002. "Past Continuous" in The Ethics of Memory, 48–83. Cambridge, Mass., London: Harvard University Press.


Verdieping (facultatief):

Avishai Margalit. 2002. A Moral Witness, in “The Ethics of Memory”, 147–182. Cambridge, Mass., London: Harvard University Press. Avishai Margalit. 2002. Introduction, in The Ethics of Memory, 1–17. Cambridge, Mass., London: Harvard University Press.

Week 7

Maandag 23 oktober 2017
HC 7 Niet-discursieve argumentatie

Niet-discursieve argumentatie (vooral iconische foto's (Journalistiek als praktijk))

Roland Barthes zei ooit dat taal fictioneel is en hij bedoelde dat taal niet in staat is, zoals een foto dat kan, om te bewijzen dat de werkelijkheid waar hij over gaat ook echt bestaat, of bestaan heeft. Kan taal zijn waarheid bewijzen of is alle taal fictioneel? Dat roept belangrijke nieuwe vragen op: Wat zijn de verschillen tussen taal en afbeelding? En: kunnen we (in bepaalde gevallen) in een afbeelding een argumentatie identificeren, en hoe dan wel? Zijn er visuele analogen voor premissen en conclusies? Zo'n technische analyse van visuele argumentatie moge moeilijk zijn, toch lijkt iedereen wel te begrijpen dat, bij voorbeeld in reclames, met plaatjes soms geargumenteerd wordt. Hoe zit het?


Vooraf lezen:

Alcolea-Banegas, Jesús. 2009. “Visual Arguments in Film.” Argumentation 23:259–275. J. Anthony Blair. “The possibility and actuality of visual arguments.” Argumentation and Advocacy, 33(1):23–39, 1996.


Beelden die niet argumenteren:

Nice Day for a Picnic from Monica Gallab on Vimeo.


Verdieping (facultatief):

Ong, Walter. 2002. Orality and Literacy: The Technologizing of the Word. New York: Routledge. Slade, Christina. 2003. “Seeing Reasons: Visual Argumentation in Advertisements.” Argumentation 17:145–160. Wollheim, Richard. 1993. “Pictures and Language.” In The Mind and its Depths, 185–192. Cambridge (Mass.), London (England): Harvard University Press.

WG 12. Visuele argumentatie; Analyse Karel (of kijken)

Korte inleiding op film van W. Karel, over orale, semi-orale (brieven) en druk-culturen, en terug naar een orale (televisie) cultuur (Walter Ong). We kijken tijdens het hoorcollege plenair naar William Karel, Opération Lune, waarin wordt bewezen dat de maanlanding een Hollywood-fictie is, en leveren in de werkgroep in groepjes een analyse in van de argumentatieve mechanismen van het bewijs.

In de werkgroepen discussiëren we over de visuele argumentatie in de film: Hoe wordt het bewijs voor de centrale stelling (standpunt) van de documentaire opgebouwd? Welke argumentatieve en retorische mechanismen zijn er in de film in werking? Kun je verschillende typen onderscheiden? Vind je ze overtuigend, en waarom wel of niet?
Aantekeningen worden in groepen (van max. 4 studenten) besproken, op schrift gesteld en digitaal ingeleverd: pm. 1000 woorden. De analyse wordt en groupe ingeleverd, dus vermeld duidelijk de namen van de studenten in je groep.

Opdracht visuele argumentatie (William Karel)

1. Beschrijf in ong. 250 woorden het schijnbare hoofdbetoog van de film Opération Lune; geef dan kort de meta-these van de film weer.
2. Identificeer de manipulatieve technieken waarmee de regisseur bepaalde opvattingen overbrengt.
3. Neem hiervan drie voorbeelden van verschillend type (!) en analyseer grondig hoe de kijker bewerkt wordt.
Deadline: Maandag 30 oktober 2017.

William Karel: Operation Lune

Opération Lune

William Karel.


Vooraf lezen:

Alcolea-Banegas, Jesús. 2009. “Visual Arguments in Film.” Argumentation 23:259–275. J. Anthony Blair. “The possibility and actuality of visual arguments.” Argumentation and Advocacy, 33(1):23–39, 1996.


Verdieping (facultatief):

donderdag 26 oktober 2017
WG 13. Humor (1e uur) [opdracht]

Humor (1e uur, Carroll, etc.), opdracht = reflectie over een of andere grap, zelf te kiezen (citaat of weergave telt niet mee met woordaantal), 600 wds peer-feedback, inleveren middernacht.

Email voor aanstaande zondag eventuele resterende vragen over de cursus naar Rob, voor het vragenuur.

Wat is humor, en waarom lachen we erom? Of iets grappig is hangt soms van heel subtiele dingen af. Krijgt de spreker zijn timing goed? Grappen zijn retorische fenomenen. Ze doen namelijk ook iets met hun publiek. Soms bereiken grappen maar een deel van het publiek. Hoe komt dat? Blijkbaar moet men een bepaald soort voorkennis hebben om de grap te waarderen. De grap maakt de groep—wie hem niet begrijpt, valt buiten de groep.
Anderzijds zijn er allerlei typen grappen: flauwe grappen zijn wel grappen maar we lachen er niet om, vinden ze om een of andere reden onder ons niveau. Ook grappen "die niet kunnen" herkennen we wel als grappen, maar we vinden, doorgaans om morele redenen, dat je dit soort grappen niet behoort te maken, bij voorbeeld omdat ze discriminerend zijn.
Welke theorie legt het best uit hoe grappen werken? De incongruentie-theorie die zegt dat de luisteraar eerst in een bepaalde richting gedreven wordt en al helemaal mee-redeneert, maar dat hij dan door een volkomen onverwachte wending beseft dat hij op het verkeerde been is gezet. Of de theorie die zegt dat een grap een spanning in de luisteraar opbouwt die met de clue plots ontlaadt als een lachen?
We bespreken vandaag een aantal voorstellen.


Vooraf lezen:

Carroll, Noël. 2003. “Humour.” In The Oxford Handbook of Aesthetics, edited by Jerrold Levinson, 344–365. Oxford: Oxford University Press.


Verdieping (facultatief):

Carroll, Noël. 1991. “On Jokes.” Midwest Studies in Philosophy 16:280–301. Cathcart, Thomas, and Daniel M. Klein. 2008. Plato and a Platypus Walk into a Bar . . . Understanding Philosophy Through Jokes. London, etc.: Penguin. (website) Cohen, Ted. 1983. “Jokes.” In Pleasure, Preference and Value: Studies in Philosophical Aesthetics, edited by Eva Schaper. Cambridge, New York: Cambridge University Press, 120–136. Gaut, Berys. 1998. “Just Joking: The Ethics and Aesthetics of Humor.” Philosophy and Literature 22:51–68.

Week 8

Maandag 30 oktober 2017
HC 8 Praktijk en definitie

Wat zijn de noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor iets om kunst te zijn? Is Duchamps Fountain een kunstwerk, en zo ja, heeft het dan eigenschappen die alle kunstwerken hebben en die alleen kunstwerken hebben? Of moet kunst gevoelens van de kunstenaar uitdrukken, of een esthetische ervaring opwekken (en wat is dat dan?)? In de vijftiger jaren van de vorige eeuw is hierover een debat ontstoken met een artikel van Morris Weitz die een Wittgensteiniaans antwoord op de vraag gaf naar de definitie van kunst: wat kunst bijeen houdt, is niets anders dan een soort familiegelijkenis. Enz.
Maar zijn we niet beter af bij deze kwestie als we kunst als een praktijk beschouwen, waar alle aspecten en onderdelen op elkaar afgestemd zijn?


Vooraf lezen:

Tilghman, Benjamin R. 1984. "Art Worlds and the Uses of 'Art'." But is it Art? Oxford: Blackwell, pp. 47-70. Weitz, Morris. 1956. “The Role of Theory in Aesthetics.” Journal of Aesthetics and Art Criticism 15:27–35.


Verdieping (facultatief):

Levinson, Jerrold. 1990. “Defining Art Historically.” In Music, Art & Metaphysics, 3–25. Ithaca, N.Y.: Cornell University Press. Walton, Douglas, and Fabrizio Macagno. 2009. “Reasoning from Classifications and Definitions.” Argumentation 23:81–107.

WG 14 Vragenuur

Email je vragen voor afgelopen zondag naar docent.

Donderdag 2 november 2017, 11.00-13.00 uur
eindtoets