Utrecht University            

Rob van Gerwen's | Welcome | Teaching | Research | Contact | Weblog | Sitemap | Consilium Philosophicum

Courses | Index | Guest lectures | Inleiding kunstfilosofie (UU) | Kunst en het kwaad (UU) | Wetenschapsfilosofie in contex (UU) | HUM291 Reason, Truth and Beauty (UCU)
Extra-curricular Blackboard | UCU-Workspace | Tutoraat | Academische Master | Scripties | Leeronderzoek esthetica | Mind and Art | Art and morality | Capita Selecta Aesthetics

22 May 2014: 22:06

 01   02   03   04   05   06   07   08   09   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20  Begrippen blog Blackboard
Rob van Gerwen, Ph.D.

Wetenschapsfilosofie in context (WY2V11008)
periode 3 2011-12

Dr. Rosja Mastop (RM)
Dr. Rob van Gerwen (RvG)

Deze editie is niet langer van toepassing. Probeer het menu boven (Extra-curriculair of Courses) voor een recente editie van deze cursus, indien beschikbaar.

Inhoudsopgave (regels en opzet van de cursus)

| inhoud | cursusdoelen | toetsing | literatuur | locatie | overzicht bijeenkomsten |

Inhoud

Deze cursus geeft een systematische inleiding in de filosofie van de wetenschappen. Aan bod komen algemeen wetenschapsfilosofische vragen, die we in de context van verschillende wetenschapsgebieden zullen bestuderen: Hoe ontwikkelt wetenschap zich? Is er een typische wetenschappelijke methodologie? Zijn er kenmerkende verschillen tussen alfa-, bèta- en gammawetenschappen? Wat maakt kennis tot wetenschappelijke kennis? Wat is het om een verschijnsel (natuur-)wetenschappelijk te verklaren? Zijn verklaringen ook belangrijk binnen de geesteswetenschappen, of gaat het daar veel meer om interpretatie en meebeleven? Kun je zeggen dat natuurwetenschappen over oorzaken gaan, en geesteswetenschappen over redenen? Bij de bespreking van dergelijke vragen zullen casussen uit diverse vakgebieden langskomen.

Cursusdoelen

Aan het eind van deze cursus zijn studenten vertrouwd met de belangrijkste posities ten aanzien van de status en ontwikkeling van wetenschappelijke kennis, hebben zij inzicht in de overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende wetenschapsgebieden, en kunnen zij artikelen hierover analyseren en hun eigen standpunten presenteren

Toetsing

Twee toetsen, ieder 40%. Een opdracht (bijdrage aan Blackboard discussies) (20%.)
Op Blackboard voeren studenten discussie over de teksten van de dan lopende week; verplicht post men twee maal een stelling, volgens een door de docenten aangeleverd schema, en reageert men tenminste driemaal op andermans stellingen. (Wie hier niet aan voldoet, verspeelt zijn of haar recht op herkansing.) Een geposte stelling is 300-500 woorden, inhoudelijk toegelicht en uitgelegd.
De geposte stelling wordt in de werkgroep (volgend op de betreffende week) kort toegelicht.

Wat wordt er beoordeeld: 1. Kennis en inzicht op het gebied van de filosofie van de wetenschappen. 2. Vaardigheid in het lezen en interpreteren van filosofische teksten. 3. Vaardigheid in het schrijven van mini-essays.

Deeltoets: maandag 5 maart 2012 13.30-16.30 uur, Educatorium Alfa
Eindtoets: donderdag 12 april 2012 13.30-16.30 uur, Olympos, Hal 2

Aanwezigheidsplicht

Er geldt voor deze cursus een aanwezigheidsplicht. In concreto houdt die in dat je maximaal drie bijeenkomsten mag missen (hoorcolleges en werkgroepen gelden ieder als een bijeenkomst). Lever dan na iedere gemiste bijeenkomst uitgeprint bewijs dat je het ervoor gevraagde werk wel hebt gedaan: tenminste een korte notitie over de te lezen literatuur.

Literatuur

De literatuur voor deze cursus bestaat uit losse teksten, die worden aangeboden via Blackboard. In een enkel geval dient men ze zelf te downloaden via de UB (Omega).

Locatie

In de werkgroepen (ma. 15.15-17.00) bespreken we de teksten van de voorafgaande week.
In de eerste werkgroep maken we kennis met elkaar en met de opzet van de cursus.

Maandag

13.15-15.00 uur hoorcollege

Achter de Dom, 2.02

15.15-17.00 uur: werkgroep

WG 1: Drift 21, 1.05
WG 2: Drift 21, 1.09

Donderdag

11.00-12.45: hoorcollege

Kromme Nieuwegracht 80, 0.06

College overzicht

Wetenschapsfilosofie ... (Algemene kwesties)

Week 1 Eenheid en methode

1. maandag 6 februari 2012 Over de eenheid van wetenschappen (RM)

Met de wetenschappelijke revolutie ontstond een beeld van de natuur als een mechanisme. Descartes verwoordde de gedachte dat er een universele wetenschap mogelijk zou zijn, dat de werkelijkheid te vatten zou zijn als een uniform wetmatig systeem. Positivisten versterkten deze gedachte en betrokken ook de menswetenschap in deze uniforme wetenschap. In dit eerste college beschouwen we de these van de eenheid van de wetenschap, als een begin in contrapunt met de "in context" benadering in de rest van deze cursus.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Herman Philipse - De samenhang der wetenschappen (Dies Rede, Universiteit Leiden 2000)

Verder lezen, indien gewenst

De strijd tegen pseudo-wetenschap op internet

2. donderdag 9 februari 2012 Wetenschappelijk redeneren (RM)

Dit college biedt een beknopt overzicht over de filosofie van het wetenschappelijk redeneren. We beschouwen het verschil tussen deductie, inductie, en abductie; het inductieprobleem (en abductieprobleem) en mogelijke antwoorden; onderdeterminatie, verificatie, falsificatie en confirmatie.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Bortolotti - An introduction to the Philosophy of Science, Hoofdstuk 2: Reasoning (Polity, 2008)

Verder lezen, indien gewenst

Stalker, D., ed. 1994. Grue! The New Riddle of Induction. London: Open Court.
Week 2 De werkelijkheid en onze uitleg

3. maandag 13 februari 2012 Objectiviteit en subjectiviteit (RvG)

Tegen de achtergrond van Kants benadering van objectieve kennis en van de relatie tussen kennis (wetenschap) en de moraal, en het oordeelsvermogen, bespreken we de vermeende oppositie tussen een objectieve werkelijkheid en onze subjectieve ervaring.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Nagel, Thomas. 1979. “Subjective and Objective.” In Mortal Questions, 196–214. Cambridge, New York: Cambridge University Press.
Kant, Immanuel. 1987. Critique of Judgement (Kritik der Urteilskraft). Translated by Werner S. Pluhar. Indianapolis and Cambridge: Hackett Publishing Company (orig: 1790, Berlin und Libau: Lagarde und Friederich). We lezen: ``Introduction. I-III en IX'', pp. 9-20 en 35-38.

Verder lezen, indien gewenst

Quine, W. V. 1998. “Two Dogmas of Empiricism.” In Philosophy of Science. The Central Issues, edited by Martin Curd and J.A. Cover, 280–301. New York, London: W.W. Norton & Company.

4. donderdag 16 februari 2012 Verklaren en begrijpen (RvG)

Vandaag staat de discussie centraal, aangezwengeld door de hermeneutiek, over een eigen methode voor de geesteswetenschappen, geënt op interpretatie.
De tekst van McAllister verbindt een algemene inleiding in (de geschiedenis van) het erklaeren/verstehen-debat met een bespreking van nomothetische kennis in de biologie (specifiek: evolutie). Vandaag het eerste gedeelte, t.m. p. 36. (Het tweede deel gaat in op specifieke wetenschappen en geldt als achtergrond voor de "in context" onderwerpen).

Ook vandaag: de noodzaak van een holistische benadering en van dikke beschrijvingen, in plaats van de dunne die we van de natuurwetenschappen kennen; het verschil tussen oorzaken en redenen; het feit dat onze handelingen vele redenen (kunnen) hebben en het probleem hoe die te reconstrueren; het verschil tussen menselijk handelen in actu en de producten daarvan en hoe die bestudeerd worden door de sociale wetenschappen en, respectievelijk, de Letteren.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Dilthey, Wilhem. 1994. “Het begrijpen van andere personen en van hun levensuitingen.” In Kritiek van de historische rede, 155–173. Amsterdam: Boom.
McAllister, James W. 2002. “Historical and Structural Approaches in the Natural and Human Sciences.” In Four Analytical Essays and a Critical Debate on the Future of Scholastic Endeavour, edited by Alexander Verrijn-Stuart Peter Tindemans and Rob Visser, 19–54. Amsterdam: Amsterdam University Press. [lezen t.m. p. 36.]

Verder lezen, indien gewenst

Apel, K. O. 1982. “The Erklären-Verstehen Controversy in the Philosophy of the Natural and Human Sciences.” In Contemporary Philosophy. A New Survey (2), edited by G. Floistad, 19–49. The Hague, Boston, London: Nijhoff.
Habermas, Jürgen. 1998. “Knowledge and Human Interest: A General Perspective.” In Continental Philosophy, edited by William McNeill and Karen S. Feldman, 286–294. Hoboken, New Jersey: Wiley-Blackwell.
Schutz, Alfred. 1954. “Concept and Theory Formation in the Social Sciences.” The Journal of Philosophy 51 (9): 257–273.
Sellars, Wilfrid. 2001. “Philosophy and the Scientific Image of Man.” In Analytic Philosophy. An Anthology, 473–97. Oxford: Blackwell Publishing.
Taylor, Charles. 1971. “Interpretation and the Science of Man.” Review of Metaphysics 25:1:25–51.
Von Wright: Explanation and understanding

... in Context. (Filosofische problemen voor specifieke wetenschappen)

Week 3: Entiteiten

5. maandag 20 februari 2012 Theoretische entiteiten (RM)

Wetenschappelijke theorieën en verklaringen veronderstellen vaak het bestaan van bepaalde entiteiten: electronen, Higgs-deeltjes, genen, maar wellicht ook abstracte entiteiten zoals getallen. Verder zouden we kunnen denken over gedachten, intenties, overtuigingen, enzovoort als theoretische entiteiten van de psychologie en geld en instituties als de theoretische entiteiten van de sociale wetenschappen. De vraag die dan opkomt is of we mogen geloven dat deze entiteiten echt bestaan. Welke vormen van anti-realisme zijn er (instrumentalisme, agnosticisme, constructivisme), wat zijn de argumenten voor realisme?

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

J. Dupré - The constituents of life (twee Spinoza lezingen, 2006)

Verder lezen, indien gewenst

J. Dupré - Is 'natural kind' a natural kind term?
I. Hacking - Experimentation and scientific realism
Searle - The construction of social reality

6. donderdag 23 februari 2012 Abstracte entiteiten. (RM)

We verdiepen ons in een aantal specifieke vakgebieden, waaronder natuurkunde, biologie, psychiatrie en economie. Mogelijk bekijken we ook de discussie over realisme in de wiskunde, het bestaan van getallen.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

H. Pickard - Mental illness is indeed a myth

Verder lezen, indien gewenst

Week 4: Stijl

7. maandag 27 februari 2012 Stijl en kunstgeschiedenis (RvG)

Kunstgeschiedenis is niet alleen een beschrijving van de opeenvolgende kunstwerken die er gemaakt zijn; ze brengt daar een ordening in aan. Hegel begreep de geschiedenis van de kunst in het licht van de ontwikkelingen in het menselijke zelfbewustzijn.
Kunsthistorische begrippen van stijl beschrijven theoretische entiteiten. Wat maakt ze toepasbaar? Heeft Da Vinci de bedoeling gehad om Renaissance schilderijen te maken? Waarom zijn mensen geïnteresseerd in kunstwerken van de één—omdat ze hetzelfde zijn (in dezelfde stijl) als de werken van anderen?
Richard Wollheim onderscheidt taxonomische van generatieve stijlbegrippen. De eerste helpen ons de werken te categoriseren, maar de categorieën zijn door theoretici aan de werken opgelegd. Een generatief concept ziet de stijl van een werk als het product van het werk van de schilder. Zo'n individuele stijl moet men bevechten op het materiaal (men kan hem niet zomaar aan- of overnemen); hij moet psychologische werkelijkheid hebben. Een werk moet wellicht begrepen worden als iets dat de intenties van de maker verwerkelijkt.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Panofsky, Erwin. 1974. “Iconography and Iconology. An Introduction to the Study of Renaissance Art.” In Meaning in the visual arts : papers in and on art history, 51–67. Woodstock, New York: Overlook Press.
Wölfflin, Heinrich. 1960. “Inleiding. De Stijl Heeft Tweeërlei Oorsprong.” In Stijlbegrippen in de kunstgeschiedenis, 12–27. Utrecht: Spectrum.
Wollheim, Richard. 1993. “Pictorial Style: Two Views.” In The Mind and its Depths, 171–184. Cambridge (Mass.), London (England): Harvard University Press.

Verder lezen, indien gewenst

Goodman, Nelson. 1978. “The Status of Style.” In Ways of Worldmaking, 23–40. Indianapolis: Hackett. Goodman, Nelson. 1985. Languages of Art. Indianapolis: Hackett Publishing Company. Panofsky, Erwin. 1970. Iconologie : thema’s en symboliek bij de Renaissanceschilders. Utrecht: Het Spectrum. Panofsky, Erwin. 1974. Meaning in the visual arts : papers in and on art history. Woodstock, New York: Overlook Press. Wölfflin, Heinrich. 1960. Stijlbegrippen in de kunstgeschiedenis. Utrecht: Spectrum.

8. donderdag 1 maart 2012 Geen college

Bereid je voor op de deeltoets.

Week 5: Deeltoets en Interpretatie

9. maandag 5 maart 2012 Deeltoets

Deeltoets: 13.30-16.30 uur, Educatorium Alfa

10. donderdag 8 maart 2012 Interpretatie en intentie (RvG)

Menselijk handelen en de producten daarvan laten zich doorgaans niet verklaren—ze moeten begrepen worden. Wat we proberen te begrijpen zijn de redenen of intenties die men had om te doen zoals men deed. Hoe werkt begrijpen? Moeten we ons in de ander inleven, zoals Dilthey meende? En hoe werkt dat wanneer met een periode in de geschiedenis probeert te begrijpen? Kunnen wij nog wel begrijpen hoe een leven zonder computers, vliegtuigen en telefoons was?
Hans-Georg Gadamer suggeert vanwege dit probleem om de geesteswetenschappelijke methode van het "begrijpen" uit te leggen aan de hand van de manier waarop we met kunst omgaan. Maar gaat het hierbij om de bedoelingen in het hoofd van de maker, of is dat een intentionele drogreden? Roland Barthes betoogt dat we een tekst kunnen begrijpen zonder ons in de auteur te verdiepen, als een semioticus: iedere keer dat iemand een boek leest, wordt het weer nieuw.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Barthes, Roland. 1981. “The death of the author.” In Theories of Authorship, edited by John Caughie, 208–213. London, Boston and Henley: Routledge. Online.
Dilthey, Wilhem. 1994. “Het begrijpen van andere personen en van hun levensuitingen.” In Kritiek van de historische rede, 155–173. Amsterdam: Boom.
Gadamer, Hans-Georg. 2001. “Esthetica en Hermeneutiek.” Feit & fictie V:111–19.

Verder lezen, indien gewenst

Gerwen, Rob van. 2001. “Gadamer over gelijktijdigheid.” Feit & fictie V:120–28.
Wollheim, Richard. 1980. “Criticism as Retrieval.” In Art and its Objects. Second edition, 185–204. Cambridge, New York: Cambridge University Press.
Week 6: De feiten

11. maandag 12 maart 2012 Wetten en oorzaken (RM)

Positivistische filosofen betoogden dat we de zoektocht naar "oorzaken" beter kunnen opgeven in ruil voor een meer bescheiden zoektocht naar wetten. Bertrand Russell (als overtuigd republikein) stelde dat het idee van Oorzakelijkheid al even archaïsch is als de monarchie. We bestuderen in dit college de verschillende analyses van oorzakelijkheid (met nadruk op de natuurkunde): in termen van wetten; als noodzakelijk verband tussen gebeurtenissen; als relatie tussen universalia; als capaciteiten van substanties; en meer. Ook pluralisme met betrekking tot oorzakelijkheid komt ter sprake: hebben de verschillende wetenschappen een verschillende notie van oorzaak? Of zijn er zelfs verschillende noties van oorzaak binnen de individuele wetenschapsgebieden?

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

N. Cartwright - Do the laws of physics state the facts? (in: Philosophy of Science, Curd & Cover (red.))

Verder lezen, indien gewenst

E. Sober - Two concepts of cause
G.E.M. Anscombe - The causation of action
L. Wittgenstein - Cause and effect: intuitive awareness
N. Hall - Two concepts of causation

12. donderdag 15 maart 2012 Wetten, kansen, en de quantummechanica (RM)

Bestaan er überhaupt wel echte natuurwetten? Dwingt de ontdekking van de quantummechanica ons tot een probabilistische kijk op de wereld. Of nog sterker: is deze theorie in strijd met het idee van een realistische opvatting van de natuurkunde als zodanig?

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

D. Dieks - Realisme en quantummechanica (in: Realisme en Waarheid, J. van Brakel en D. Raven (red.), Van Gorcum 1991)

Verder lezen, indien gewenst

R. Giere - Science without laws of nature
B. Skyrms - EPR: Lessons for metaphysics (Midwest studies in Philosophy IX, 1984)
Week 7: De geest en de hersenen

13. maandag 19 maart 2012 De geest in de schedel? (RvG)

Extended Mind vs. wij zijn ons brein (psychologie)
De "state of the art" psychologische theorie der Cognitive science gaat uit van het gegeven dat wat er ook in de geest van een actor gebeurt, of dat nu waarnemingen, gedachten of gevoelens zijn—kortweg: mentale representaties—veroorzaakt is door hersen-activiteit. Het beperkt zich er idealiter toe om met scans de hersenactiviteit in kaart te brengen, en brengt daarmee semantische vragen over waarnemingen e.d. terug tot neuronale processen die geen waarheidswaarden hebben.
We bespreken deze (reductionistische) benadering van de manieren waarop mensen als belichaamde handelende wezens in hun omgeving verkeren. Meer bepaald bespreken we de vraag of de geest zich eigenlijk wel in de schedel bevindt.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Clark, Andy, and David J. Chalmers. 1998. "The extended mind." Analysis 58 (1): 7-19.
Margriet van der Heijden: "De hersenhype." NRC 5 februari 2011.
Harald Merckelbach: "Edelachtbare, de vrije wil bestaat niet. Ik heb dit meisje niet vermoord en verkracht. Het was het zwakke paralimbische stelsel in mijn brein." NRC, 26 maart 2011.
"Dick Swaab antwoordt zijn critici." NRC, 23 april 2011

Verder lezen, indien gewenst

Jan Derksen: "Red de psychologie uit de klauwen van hersenonderzoekers. Het 'hechtingsgen' werd nooit gevonden." NRC, 12 februari 2011.
André Köbben: "Dick Swaab koestert over het brein een al te absolute overtuiging" NRC, 22 april 2011

14. donderdag 22 maart 2012 Geschiedenis & cultuur (RvG)

Historiografie is de wetenschap die de processen en gebeurtenissen die in de (menselijke) geschiedenis plaatsvonden, probeert te begrijpen en te beschrijven. Dat geschiedenis meer is dan een verzameling gegevens en voor haar structurering verhalen behoeft, confronteert de historiografie met een aantal duurzame problemen, zoals:

  • Afbakening: perioden zoals de renaissance zijn theoretische (narratieve) entiteiten: ze hangen voor hun grenzen af van de theorie waarbinnen ze gehanteerd worden. De theorie in kwestie is evenwel geen stelsel van wetmatigheden waarmee voorspeld kan worden (zoals we kennen van de natuurwetenschappen).
  • Wat is de norm van correctheid voor de verhalen van historici, en wat valt er mogelijk buiten die verhalen?
    Huizinga introduceerde de historische sensatie, om die verhalen te verankeren. Misschien zijn het morele getuigen die het verhaal verankeren? Historische sensaties en morele getuigen vormen echter geen bron van feitenmateriaal---wat is dan hun inbreng (en hun belang)?

Culturen dun beschrijven is (letterlijk) zinloos. Cultuur, kunst, sociale rituelen—geen van alle zijn ze te verklaren met een beroep op wetmatige verbanden die de wetenschapper in staat stellen gebeurtenissen en handelingen zonder uitzondering te voorspellen. De sociale wetenschappen (gamma) en de Letteren (alfa) worstelen ieder op hun eigen manier met het dilemma dat ontstaat wanneer men én wil tegemoetkomen aan de intenties van menselijke actoren én wetenschappelijk te werk wil gaan.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Geertz, Clifford. 2009. “Thick Description: Toward an Interpretive Theory of Culture.” In Modern Historiography Reader: Western Sources, edited by Adam Budd, 431–442. Cambridge, Mass: Routledge.

Verder lezen, indien gewenst

Ankersmit, Frank R. 1989. “Historiography and Postmodernism.” History and Theory 28:137–153.
Gallie, W. B.. 1956. “Essentially Contested Concepts.” Proceedings of the Aristotelian Society, vol. 167.
Margalit, Avishai. 2002. "A Moral Witness", Chapter 5 of The Ethics of Memory. Cambridge, Mass., London: Harvard University Press, p. 147-82.
Mink, Louis O. 1969. “History and Fiction as Modes of Comprehension.” New Literary History 1:541–58.
ricoeur:historiographyRicoeur, Paul. 2009. “The Reality of the Historical Past.” In Modern Historiography Reader: Western Sources, edited by Adam Budd, 365–375. Cambridge, Mass: Routledge.
Week 8: Het sociale en de moraal

15. maandag 26 maart 2012 Sociale gebeurtenissen als tekst (RvG)

Kunnen we het sociale als een tekst interpreteren? (Hermeneutiek)
Waar de sociale wetenschappen zich typisch bezighouden met menselijk gedrag in actu, gaat het bij de Letteren om de producten daarvan: historische gebeurtenissen, periodes, kunstwerken, teksten, artefacten. De hermeneutiek plaatst hierbij interpretatie centraal. De producten van menselijk handelen zijn los komen te staan van de context waarin ze geuit zijn, maar kan men er dan nog de betekenis van achterhalen? Kan men ze nog begrijpen zonder de leefwereld waarin ze ontstonden te reduceren tot het kader waarbinnen men interpreteert?

Om deze vraag zo scherp mogelijk over het voetlicht te brengen, bespreken we de mogelijkheid om voor de interpretatie van actueel handelen zoals we die uitvoeren binnen de sociale wetenschappen, de tekst als model te hanteren. Waar moeten we de betekenis van handelingen, gebeurtenissen en de producten daarvan localiseren? Wat laat zich hoe vastleggen? Hoe om te gaan met het in het deconstructivisme beleden eeuwig doorverwijzen van de tekens waarvan een taal gebruik maakt?

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Ricoeur, Paul. 1973. “The Model of the Text: Meaningful Action Considered as a Text.” New Literary History 5:91–117.

Verder lezen, indien gewenst

Davidson, Donald. 1984 (1973)b. “Radical Interpretation.” In Inquiries into Truth and Interpretation, 125–140. Oxford: Clarendon Press.
Derrida, Jacques. 1972. “La Différance.” In Marges de la Philosophie, 1–30. Paris: Les Éditions de Minuit.
van Fraassen, Bas C., and Jill Sigman. 1993. “Interpretation in Science and in the Arts.” In Realism and Representation, edited by George Levine, 73–100. Madison, Wisconsin: University of Wisconsin Press.
Taylor, Charles. 1971. “Interpretation and the Science of Man.” Review of Metaphysics 25:1:25–51.

16. donderdag 29 maart 2012 Freud en moraal (RvG)

Wat is het probleem? Is het louter dat de theorieën mogelijk niet op de feiten passen (realisme); dat de interpretaties van handelingen en van historische gebeurtenissen niet wetmatig kunnen zijn (overbepaaldheid van het handelen); dat we de menselijke werkelijkheid niet dun kunnen beschrijven (en dat zelfs statistiek tekort schiet), enzovoort?
Ofwel: is het probleem alleen dat de wetenschappen methodologisch (kwantitatief of kwalitatief) ontoereikend zijn om de subjectieve dimensie van het leven te beschrijven—of ligt het probleem veeleer (of evenzeer) in het feit dat wetenschap ook zelf een menselijke onderneming is (reflexiviteit) en de wetenschappen zelf een factor zijn in de werkelijkheid die ze bespreken (Foucault)?
Welke sociale, morele regels gelden voor de wetenschappen (epistemische verantwoordelijkheid)? Waarop is moraal gestoeld, waarom is moraal zo belangrijk en waarop zijn de discussies over wetenschappelijke methode en kwesties geënt (de kritiek op positivistisch nomothetische benaderingen)?
Vandaag kijken we, ten laatste, naar de bijdrage van het samenleven als ritueel, zowel als naar de relevantie van de zoektocht van de mens naar zijn zelf.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

Wollheim: 1993. "The Sheep and the Ceremony." In The Mind and its Depths, 1-21. Cambridge (Mass.), London (England): Harvard University Press.
Grünbaum, Adolf. 1979. “Is Freudian Psychoanalytic Theory a Pseudo-Science. Karl Popper versus Sigmund Freud” Zeitschrift für philosophische Forschung 31 (3): pp. 333–353. [selectie beschikbaar op Blackboard]

Verder lezen, indien gewenst

Code, Lorraine. 1987. Epistemic Responsibility. Hanover, London: University Press of New England.
Wollheim. 1984. "From Voices to Values. The Growth of the Moral Sense." Chapter VII of The Thread of Life, 197-225. Cambridge, New York: Cambridge University Press.
Week 9: Beschrijven of bewerkstelligen?

17. maandag 2 april, 2012 Abstractie en modellen (RM)

Het lijkt inherent te zijn aan wetenschappelijke theorieën en modellen dat deze enige mate van abstractie behelsen. Puntmassa's in de natuurkunde; genen in de biologie; woorden en zinnen in de taalkunde; en meer. In dit college behandelen we de algemene problematiek van abstractie en modelvorming. Verder bekijken we verschillende opvattingen van wat een model is; daarna behandelen we een specifieke casus: de notie van "economic man", de homo economicus. Mogelijk kijken we ook naar de rhetorische kijk op economie van Klamer, McCloskey en anderen.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

M. Morgan - Economic man as model man (Journal of the History of Economic Thought 28:1, 2006)

Verder lezen, indien gewenst

M. Morgan en M. Morrison (red.) - Models as mediators (Cambridge UP, 1999);

18. donderdag 5 april 2012 Abstractie en modellen (vervolg) (RM)

We verdiepen ons in een tweede casus: de rol van abstractie en idealisatie in de moderne linguïstiek.

Verplichte literatuur (lezen vóór bijeenkomst)

M. Stokhof en M. van Lambalgen - Abstractions and idealizations: The construction of modern linguistics (Theoretical Linguistics, 2011)

Verder lezen, indien gewenst

P. Ludlow - The philosophy of generative linguistics
Week 10

19. maandag 9 april, 2012 Geen college

Bereid je voor op de eindtoets.

20. donderdag 12 april 2012 Eindtoets

Eindtoets: 13.30-16.30 uur, Olympos, Hal 2