Wat leest ace zelf zoal? Het volgende. Zit er een volgorde in? Een beetje. Sommige favorieten staan hoog, sommige niet- of nog-niet-favorieten staan laag, en daar houdt de volgorde wel weer op. Er is geen peil op te trekken.
Het geheime ingrediënt is het potje truffel-tapenade uit het delicatessenwinkeltje hier in het dorp. Een soort zwarte-olijventapenade, maar dan met truffel erdoor. Het geurt al heerlijk, en het smaakt nog veel beter. Ik zou een quiche bakken met noten en paddestoelen, had ik beloofd, en na de tortelloni al tartufo die ik in Essen had geproefd, wilde ik ook wel eens experimenteren met truffel. Ik heb daarom met opzet niet al te uitgesproken smaken uitgezocht: geen tomaten, geen olijven, geen knoflook, maar meer subtiele smaken als bleekselderij en ui. Het experiment is gelukt. Een aanrader. Als je dergelijke tapenade niet kunt vinden, kun je ongetwijfeld zelf ook wat in elkaar knutselen met olijvencrème (AH) en zwarte truffel, of truffelolie, ofzoiets.
Bereidingswijze
Verwarm de oven voor op 200°C.
Haal het bladerdeeg uit de diepvries, en laat de plakjes ontdooien.
Snipper de ui. Maak de paddestoelen schoon, en snijd ze in plakjes. Doe wat olie in een koeke- of braadpan, en smoor ui en paddestoelen. Breng op smaak met zout en (versgemalen) peper.
Doe de amandelen in een plastic zak, knoop die losjes dicht, en rol er met de deegroller overheen. Doe er nu de hazelnoten bij, en rol er nog eens overheen, tot de noten grof gekneusd zijn. Als de ui glazig is, de paddestoelen het meeste van hun vocht hebben losgelaten en het meeste van dat vocht is verdampt, haal de pan dan van het vuur, en schep er de noten doorheen.
Klop de mascarpone los met de truffeltapenade, en klop er de eieren doorheen.
Bekleed een ovenschaal of springvorm met bladerdeeg. Houd een paar plakjes apart om de schaal af te dekken. Doe er de paddestoelen in, en giet er de eieren met mascarpone overheen. Dek af met bladerdeeg, en bak circa 30 minuten midden in de oven.
Laat eventueel eerst wat afkoelen voor je de quiche opeet.
Mooi hè? Onze voortuin, gisterenmiddag. De nieuwe knoppen zitten helaas net buiten beeld, anders had ik vier seizoenen tegelijk gehad: de bloesem, de dorre bladeren en de sneeuw. Maar die moet je er dan maar bij denken.
Een heel leuk YouTube-filmpje, van Johnny Lee, een PhD-student aan de Carnegie-Mellonuniversiteit, die aan het knutselen is gegaan met zijn game-hardware. Wat hij doet is het beeldscherm laten weten waar de kijker zit, zodat het beeldscherm het beeld kan aanpassen. Alsof je beeldscherm een venster is, zie je meer op straat wanneer je op je tenen gaat staan, en heb je meer uitzicht wanneer je dichterbij komt.
Johnny Lee heeft een simpel demonstratieprogrammaatje gemaakt van een aantal schietschijven die op verschillende afstanden van de kijker staan. Door je hoofd heen en weer te bewegen — of nou ja, eigenlijk een bril waar de infraroodsensoren op gemonteerd zijn — kun je die doelen van alle kanten bekijken. Je kunt er zelfs achter kijken: dan verdwijnt het voorste doel van je beeldscherm. De illusie is echt fantastisch, en veel overtuigender dan al die flauwe technologie met tweekleurenbrilletjes.
Huisgenoot René heeft zelf aan dit soort projecten geknutseld, en hij heeft me uitgelegd hoe dat precies werkt. De revolutionaire technologie erachter is de sensor die beweging detecteert: niet alleen naar links en rechts en boven en beneden, maar ook de snelheid waarmee de sensor beweegt. Je moet er een beetje een geek voor zijn, maar dan is dit adembenemende technologie. Al was het maar door de vele nieuwe mogelijkheden die deze truuk opent. Let op, de demonstratie begint pas na 2:30 minuten.
Ik ben echt toe aan vakantie. Dat wist ik al, maar nu begint ook mijn lijf ernaar te voelen. Last van mijn rug had ik al, een restje spierpijn van de yoga zeurt ook nog door, en gisteren struikelde ik en bezeerde ik mijn knie. En dat chloor-goedje waarmee ik de schimmel van de badkamer weghaalde is ook niet echt vriendelijk voor je luchtwegen. Vanochtend sliep ik gelukkig erg uit, piepend als ik mijn knie bewoog, maar ik voel me wat minder geradbraakt dan gisterenavond. Vakantie, dus.
“Eén weekje weg”, zei Els bedenkelijk, toen ik met moeite een beetje tijd had vrijgegumd in mijn agenda. “Volgens mij is dat niet genoeg hoor, als je zo moe bent als jij. Ik zou minstens twee weken weggaan.” En waarschijnlijk heeft ze daar gelijk in. Maar prompt komen de zorgen. Die arme poes, op zijn ouwe dag! Was-t-ie net zo blij dat ik weer helemaal terug ben, ga ik er weer vandoor. En niet een paar dagen, maar twee weken! En wat moet ik allemaal doen, twee weken lang? Ja, de bedoeling was natuurlijk wel dat ik mezelf eens flink ging tegenkomen, maar er is nogal een verschil tussen een verhelderende wandeling over het strand, en echt twee weken met je zelf op reis.
Kortom: Els heeft gelijk.
Maar ja. Ik heb toch wel een aantal verplichtingen te vervullen. De Taalbokaal moet worden uitgereikt, eind januari, en daar gaat nog wel wat werk aan vooraf. De knoop moet worden doorgehakt, en als voorzitter van die commissie moet ik daar wel bij zijn. Het alternatief is, om de hele vakantie over de uitreiking van de Taalbokaal heen te tillen. Maar dat wordt wel erg laat. Misschien moet ik maandag contact opnemen met de griffie, en kijken wat er kan.
Week 2 en 3, zo is het plan, zit ik op de Canarische Eilanden. Of ik lig er, of ik wandel er, of ik pootjebaai in zee, dat valt allemaal nog te bezien — maar hoedanook, ik ben niet hier. Morgen gaan we kijken hoe we het rondmaken. Yippeeeee!
De dag eindigde gisteren op een heel andere manier dan-ie begon. Hij begon met lekker aanrommelen. Dat was goed, want ik had al veel te lang lopen rennen, en gisteren kreeg ik een paar dingen gedaan die al heel lang ondersneeuwden onder Dringends en Belangrijks. Mijn bed verschoond, de afwas gedaan, dat soort onnozele klussen. En toen aan het eind van de middag kreeg ik een mailtje van een kamerlid die wilde weten hoe het met onze Sociale Werkplaats ging. Ik ging lekker zitten antwoorden. Ik had het nog niet verstuurd, en ik werd gebeld door iemand over de WMO in mijn gemeente. Ik wist ook voor haar de antwoorden. En toen kwam Eef, en die vertelde me waar haar scriptie over gaat, en zelfs haar kon ik verderhelpen door vragen te stellen. “Ja, verrek, zo had ik er nog niet tegenaan gekeken!”
Dat was erg prettig. Het is heel plezierig om zo mijn brein full speed te kunnen laten draaien, want als-ie draait, dan draait-ie heerlijk soepel. Ik heb een fijn hoofd, al zeg ik het zelf. Ook vanmorgen mocht-ie zijn gang weer gaan, luisterend bij een gesprek met de wethouder. Ik heb alweer honderd ideeën en plannen, en ik zal hard mijn best doen om er wat moois van te maken.
En nu moet ik weer stukken lezen voor de Taalbokaal, en mijn brein heeft zich weer teruggetrokken, als een boos kind met alle deurtjes — klap! — dicht. Het helpt ook niet dat er een kudde wilde bouwvakkers rondgaloppeert op het dak vlak boven mijn hoofd, zingend, stampend en grappenmakend. Maar het moet. Het moe-hoet. Ik heb dit toegezegd, zo heel veel werk is het niet en ik kan het heus wel. Komaan, maak het jezelf zo plezierig mogelijk, zet een muziekje op, neem er een kopje thee bij en doe het nou gewoon effe!
Waarom ik procrastineer dat weet ik wel: omdat ik die Taalbokaalstukken nog eens goed moet doorlezen. Maar CO-ED Magazine heeft 10 algemene regels waarom wij procrastineren.
For 20 percent of the population, procrastination is a lifestyle. On college campuses, we thought 87 percent sounded more accurate, but we’re no psychologists.
Our culture doesn’t take procrastination as a serious problem. They say there’s more of it in the U.S. because we’re nice people and don’t call others out on their laziness. We believe the doctors have never visited New York City or driven through rush hour traffic in Los Angeles.
Procrastinators don’t necessarily have time-management problems but are far more optimistic about time than others.
We’re not born procrastinators — we make ourselves into them. Some of us learn from our families, others procrastinate to rebel from the strict rules they grew up in. The rest of us just know that writing a history paper drains out every inch of energy from our bodies, both slowly and painfully.
The bigger the procrastinator, the higher the consumption of alcohol. Hello, Thirsty Thursdays. And Wasted Wednesdays. And even Trivia Mondays.
Procrastinators lie to themselves. Popular lies include, “This can be done tomorrow” and, “I work better under pressure.” Rather than becoming more creative in the end, they continue to not want to do the work and just wind up avoiding it. And that is why projects and paper are called “work.”
In order to procrastinate, they actively look for distractions in order to avoid feelings of fear of failure.These distractions are called AIM, Facebook and Myspace. And blogs. And galleries of scantily-clad hot babes.
Three basic types of procrastinators are thrill-seekers who like the last minute rush; avoiders who fear failure or success and are overly concerned with how others perceive them; and decisional procrastinators who can’t make… well, decisions.
Avoiding life is bad for your health. Procrastinating college students have more colds, flus and gastrointestinal problems as well as insomnia. To think, we blamed the dining halls this whole time.
If all of this depresses you or you don’t appreciate our sarcasm, the psychologists say even the worst procrastinator can change. But it takes a lot of psychic energy and might not transform you internally, though it can require “highly-structured cognitive behavioral therapy.” Sounds like fun.
Het is geen fijn verhaal, maar we moeten er wel kennis van nemen: het persoonlijke relaas van een van de mensen die gevangen is gezet in één van de geheime gevangenissen van de CIA, en daar gemarteld is. Ja, officieel is het geen martelen, maar lees het verhaal, en bepaald dan zelf of het martelen is. Twee links: het oorspronkelijke verhaal op Salon.com, en de verwijzing op BoingBoing.
Het is een ouwetje, maar het is wel een heel boeiend interview: Geert Wilders op bezoek bij Hard Talk van BBC World. Eindelijk een interviewer die doorvraagt, het beestje bij zijn naam noemt en conclusies trekt uit wat Wilders allemaal zegt. “U bent helemaal geen voorstander van de traditionele Nederlandse waarden van tolerantie en liberalisme. U bent een racist.”
Yoga weer, gisteren. Minder voorzichtig dan de vorige keren, meer het uitproberen van moeilijke houdingen. De meest onmogelijke — sucirandhr’asana, denk ik, oog van de naald — was er een waarbij je begint op handen en knieën. Dan til je één hand op, die leg je met de handpalm naar boven op de grond, en dan schuif je hem onder je door naar opzij. Je komt dan met je schouder en met je wang op de grond te liggen, terwijl je achterste in de lucht blijft steken. Tot zover gáát het nog, maar dan moet je je andere arm omhoog steken, zodat je gewicht op je schouder en je arm komen te rusten. Ik dacht dat ik stikte. “Ja,” zei de docente, “dat snap ik. Maar het doel van hatha yoga is, dat je niet de hele tijd in je hoofd zit. Door dergelijke lastige houdingen te oefenen, moet je wel in je lijf gaan zitten. Op het moment dat je zo in de knoop ligt, dwing je jezelf om je te concentreren op je lichaam, op het ontspannen van spieren die in de knel zitten.” En ze had gelijk, het werkte wel.
Ik begin dat een beetje te leren: door ‘ernaartoe te ademen’, zoals ze dat noemen, ontspan je spieren daar waar je in de knel zit. Op een gegeven moment zaten we gewoon in de kleermakerszit — of in de lotushouding, wie dat kon — met je achterste zo plat mogelijk op de grond. ‘Op je zitbotten’, zoals ze dat noemt. Je handen met de palmen naar boven op je knieën, en dan proberen om zo recht mogelijk te zitten. Rug recht, kin naar je oren. “Denk maar dat je adem door je kruin naar binnen komt, en dat hij naar je stuit toe gaat.” In eerste instantie protesteerden al mijn spieren: dit hield ik niet lang vol! Maar toen concentreerde ik me op mijn ademhaling, en ik probeerde ruimte te maken voor mijn adem, en toen ontspande er ineens vanalles. Ik had zo uren kunnen blijven zitten.
Een hoop kan ik nog lang niet. Vooroverbuigen en mijn handen plat op de grond leggen, daar ga ik nog wel een paar jaar voor nodig hebben, maar ik kom verder dan ooit, simpelweg door te voelen waar de weerstand zit, en door te voelen of ik die los kan laten. En zo kom ik opeens op een veel vriendelijker manier in contact met mijn lijf dan in lang het geval is geweest. In plaats van strenge sportmeesters en -juffen die boos worden als ik dingen niet kan, ben ik er nu zelf die mijn lichaam vraagt om zich te laten kennen. Dat blijkt het maar al te graag te willen. De pijntjes die ik had aan het begin van de sessie — mijn bekken, mijn voet, mijn kuit — waren aan het eind van de sessie voorbij. En toen de docente ons vroeg om plat op de grond te gaan liggen, met een kussentje dat niet veel voorstelde maar vooral bedoeld was om te voorkomen dat je met bot op de harde grond zou liggen, toen kon ik langzaam, botje voor botje al mijn ruggewerveltjes neerleggen. Diep ademhalend, au, daar een krampje, daar een knoop, au, en maar weer diep in- en uitademen. En na een keer of wat uitrollen lag ik lekker. Alsof ik een verroeste marionettenpop was die de roest losliet, en vlees op haar botten kreeg.
En dus fietste ik als een nieuw mens weer naar huis, met handen en voeten die gloeiden. En ik at tevreden mijn bordje leeg, waarna ik fractieoverleg had en weer helemaal in mijn hoofd zat, en dus tot half twee klaarwakker was, en met geen mogelijkheid in slaap kon vallen. En dus heb ik vandaag een dikke kater, die weliswaar iets verzacht is door de ochtendwandeling die ik maakte toen de zon nog scheen, maar die toch niet echt het veld wenst te ruimen.
Ik zou Eef helpen met haar scriptie. Redigeren. Dat doe ik graag, want Eef is lief, en als ik alleen maar naar punten en komma’s hoef te kijken, dan valt het nogal mee. Bovendien had ze me beloofd dat ze me eerst door de tekst heen zou praten. Enfin. Ik om tien uur wakker (ja, raadsvergadering tot 12 uur gisteren, en daarna whiskey zitten drinken met mijn huisgenoten om te chillen, dan mag dat). Gedoucht, ontbeten, geen Eef. Dan maar dat lelijke bureautje eens aan de kant geschoven, en alle kattenbrokjes erachter vandaan geveegd die de kleine kater er met grote achteloosheid achter strooit. En toen ik toch eenmaal bezig was, de dweil eroverheen. En toen ik toch eenmaal bezig was, ook maar even de kattenbak verschoond, de planten gebaad, de was gevouwen, de prullenbakken geleegd en de vensterbank uitgesopt.
Mijn bed heb ik nog niet verschoond, toen ik klaar was met al mijn klussen was het één uur, en hoog tijd voor een boterham. Dat moet dan morgen maar, of zondag, samen met de afwas en de wasbak. Kafka vond het maar niks. Met baby-miauwtjes vertelde hij me dat zijn bakjes helemaal niet op dat tafeltje hoorden, en al dat geloop en gestofzuig vond hij ook maar niks. “Ik loop weg, hoor!” dreigde hij nog, miauwend bij de trap, maar toen had ik net mijn tosti en mijn cappuccino klaar, dus toen wilde hij wel weer terug komen. Nu ligt hij heel tevreden naast me op de bank. Maar zo tevreden als ik, dat kan niet.
En Eef? Nog geen bericht. Ik heb een mailtje gestuurd. Zal ik dan eens beginnen aan de grote stapel troep die ik op mijn tafel heb verzameld? Het lijkt me een goed idee. Want ik kan dan wel leuk al mijn To-Do-lijstjes overhevelen naar een speciaal lijstjes-programma — iGTD, voor I Get Things Done, gok ik — maar dat moet ik mijn spullen wel kunnen vinden, natuurlijk.
Ik droom van een mooi groot bureau met tachtig laadjes. Dat lijkt me ideaal. En dan het liefst zoeen waar geen kattenbrokjes achter kunnen. Bestaan die?
Marie-José — die andere — mailde me het volgende schokkende bericht:
Kabinet stelt commissie ‘Veiligheid en persoonlijke levenssfeer’ in Persbericht | 07-12-2007
De ministerraad heeft op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besloten de adviescommissie ‘Veiligheid en persoonlijke levenssfeer’ in te stellen. De commissie zal advies uitbrengen over regulering van, voorlichting over en werkwijzen rond de omgang met persoonsgegevens zodat de veiligheid van personen wordt bevorderd. Voorzitter wordt mevrouw mr. A.H. Brouwer-Korf, thans burgemeester van Utrecht.
Rechtshandhavers en hulpverleners voelen zich soms beperkt door normen en praktijken ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder die van persoonsgegevens. Daarom gaat de commissie na hoe mogelijke belemmeringen kunnen worden weggenomen die rechtshandhavers en hulpverleners ervaren bij hun werk. Verder onderzoekt de commissie hoe zowel de doelstellingen op het gebied van de persoonlijke levenssfeer als die op het gebied van veiligheid zo goed mogelijk in samenhang met elkaar bereikt kunnen worden. De commissie bekijkt ook hoe technologische ontwikkelingen zowel de persoonlijke levenssfeer kunnen beschermen als een bijdrage kunnen leveren aan versterking van de veiligheid. De commissie brengt voor 1 november 2008 advies uit aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Lezen wij dat goed? Privacy is een hinderlijk obstakel voor rechtshandhavers en hulpverleners, en dus gaat een commissie na hoe dat obstakel kan worden weggenomen. Big Brother mag in zijn handen wrijven! Gelukkig is het College Bescherming Persoonsgegevens sinds begin dit jaar weer een beetje gesnoeid, dus de kans dat de Nederlanders wakker gaan worden is weer niet zo groot. Iemand een idee hoe we de zaken eens flink mis kunnen laten gaan, zodat iedereen wel wakker wordt, en we eindelijk eens gaan nadenken over wat we allemaal aan het inleveren zijn?
Vanmorgen bij het wakker worden keek ik recht in het gezichtje van de kleine kater. Hij was naast me komen liggen op mijn hoofdkussen, half onder mijn dekbed, op een afstandje dat we blijkbaar allebei prettig vonden. Ik heb meteen de neiging om een convenant met hem op te stellen dat we het voortaan altijd zo doen, want ik sliep weer een stuk beter, vannacht. En wakker worden met een blik in die zwoele bedroom eyes heeft beslist zijn charmes. Maar hij schrijft nog wat lastig, zegt-ie, na zijn operatie, dus het ondertekenen van convenanten behoort helaas nog even niet tot de mogelijkheden. Bovendien vindt-ie het wel goed als we hier in vrijheid mee kunnen experimenteren, helemaal met de naderende winter in 't verschiet. Dus dat moet nog even uitkristalliseren. Nou ja.
De agenda van de commissievergadering van morgenavond valt gelukkig mee. Een belastingverordening, wel iets om naar de kijken, maar de echt slimme opmerkingen moeten van onze financiële specialist komen. Dat scheelt weer voor mijn lijstje. Lijstjes moeten niet te lang worden, las ik gisteren in een e-book getiteld ‘Time Management for Creative People’, door de Londense Mark McGuinness. Hij heeft een paar erg nuttige tips waar ik veel aan kan hebben — enigszins geïnspireerd op Getting Things Done, waar ik hier al eerder over schreef.. Jullie hebben het natuurlijk veel te druk om het helemaal te gaan lezen, daarom vat ik even de hoofdpunten samen. De zes vuistregels citeer ik uit het Engels (jawel, dat kunnen jullie best lezen), en eronder zet ik wat toelichting.
Prioritise work that is ‘important but not urgent’
Ring-fence your most creative time
Get things done by putting them off till tomorrow
Get things off your mind
Review your commitments
1. Prioritise work that is ‘important but not urgent’
Vooral die eerste vond ik fascinerend: geef voorrang aan belangrijk werk boven dringend werk. Maar de rationale erachter is heel zinnig: als je toegeeft aan elke dringende klus, dan kom je niet meer toe aan het werk dat je van plan was, en dat je echt wilt doen. Je noemt het niet voor niets belangrijk. Dus doe eerst de dingen die je echt wilt doen, en dan pas de dingen die je van buitenaf op je bordje geschoven krijgt.
2. Ring-fence your most creative time
Zet een hekje rondom je meest favoriete tijd. Dat vind ik ook wel een mooie: bedenk wanneer je het meest creatief en productief bent, en reserveer die tijd dan ook exclusief. Zet de telefoon uit, je antwoordapparaat aan, en laat er niets tussen komen. Hoe je dat ook precies inricht, dat doet er niet toe, er zijn voorbeelden van schrijvers die elke ochtend van zes tot negen een hotelkamer huren om te kunnen schrijven, maar misschien is het al genoeg als je een lege tafel en een leeg hoofd hebt. Wie zal het zeggen?
3. Get things done by putting them off till tomorrow
Dat is ook een aardig tegen-intuïntieve: verzamel al je klussen van vandaag, en doe ze morgen. Beantwoord al je mail pas morgen. Natuurlijk, er zijn noodgevallen die ertussendoor kunnen glippen, een afspraak met de tandarts die verzet moet worden, iemand is ziek, noem maar op. Maar door de dag te beginnen met een vastomlijnd lijstje van dingen die gedaan moeten worden, heb je ten eerste een duidelijk beeld van wat er moet gebeuren, en ten tweede heb je het voordeel van de e-mail-modus die je efficiënter maakt. Bovendien: jij bepaalt hoe je je tijd indeelt, niet de buitenwereld.
4. Get things off your mind
Nog een goeie tip: schrijf op wat je moet doen, en plan in wanneer je ze gaat afhandelen. Dan kan je ze uit je hoofd zetten, en hoef je er niet meer over na te denken. Zo houd je een ‘schoon’ hoofd dat niet door honderden stoorzenders wordt afgeleid.
5. Review your commitments
Nog een belangrijke: houd je aan je schema. Als je alles opschrijft maar er vervolgens niets mee doet, dan raakt het systeem zijn effect kwijt, en dan vertrouw je er niet meer op.
Dat klinkt als een zinnige aanpak. Wel een die discipline vraagt, en daarvoor is dit misschien niet het beste moment, maar als ik nou eens begin om er in mijn hoofd ruimte voor te maken. En mijn backlog van mails te beantwoorden, dat lijkt me ook een goed idee.
Ik ga met vakantie, heb ik besloten. Els mailde me: kom, jij moet eruit, we gaan naar de Canarische Eilanden. La Gomera. Nee, zei Désirée, ga naar La Palma, da’s veel leuker. Ik vind het best. Hard zoeken naar een datum, want tijdens de feestdagen nog een onderkomen vinden, da’s niet zo eenvoudig, maar het gaat gebeuren. In januari dan. En alsof hij daarop gewacht heeft, valt de moeheid als een deken over me heen.
Misschien was het daarom ook wel, dat ik gisteren zo emotioneel reageerde toen de Utrechtse raadsliedenkwestie aan de orde kwam op de vergadering van het afdelingsbestuur. Er gebeurde wat logisch is om te gebeuren: de kwestie werd besproken, en er werd een analyse gegeven. En de gelederen sloten zich. Zij fout, wij goed. Maar ja, het gaat wel om Marcel, mijn oude studiemakker met wie ik al 20 jaar bevriend ben. Al had hij het honderd keer volkomen verkeerd gedaan, ik kén hem, en ik weet dat hij gewetensvol reageert. Vanuit zijn visie heeft hij gedaan wat hem het beste leek. Bovendien: vanuit zijn visie is er ook het nodige mis bij de SP. De typische soort ruzie waarbij beide partijen elkaar afschrijven. Dat wist ik geloof ik wel over te brengen: dat ik graag een genuanceerd verhaal wilde, met ruimte voor fouten en verschillen van inzicht.
Desondanks — gewekt door de poes die moest spugen — lag ik er een paar uur van wakker. In eerste instantie dacht ik: ik moet hem morgen bellen, en het hele verhaal horen. Proberen te achterhalen wat er nou echt gebeurd is. En toen dacht ik: nee. Want het doet er niet toe. Al had hij het honderd keer fout gedaan, het doet er niet toe. Ik ken hem, Marcel is Marcel, en daar komt geen politieke partij tussen. Ik wil niet weten wat ze allemaal voor lelijks over elkaar zeggen. Omgekeerd is mijn SP een andere dan de zijne: ik heb met heel andere mensen te maken, en mijn ervaringen zijn heel anders. Ik kan daar niet uit de tweede hand een oordeel over vellen, laat staan dat ik er om zijnentwille uit zou stappen. Dus dat mailde ik hem, om zes uur vanochtend. En toen kon ik weer slapen. Dwars door de wekker heen, zodat ik veel te laat was voor mijn afspraak van negen uur.
Voel ik me nu beter? Niet echt. Ik ben bekaf. Mijn afspraak voor morgen heb ik afgezegd. Spijtig, maar het kan niet anders. Wat zal ik nu dan eens gaan doen? Naar buiten, had ik bedacht, maar inmiddels is de zon verdwenen. Een middagdut, dat lijkt me wel wat.
Ach ja, Talk Talk. Dat waren nog eens tijden. Ik was 16, of daaromtrent, en dit hoorde er ook bij. Weet je nog, Anne? Althans, de muziek hoorde erbij, want het filmpje was niet stoer genoeg om indruk te maken. Nóg niet, trouwens, al blijft het een leuk joch.
“Oh ja, ik zie het hier, bij het opzeggen van uw ADSL-aansluiting heeft u gevraagd dat we uw basic account wel gewoon handhaven. Ja, dat is natuurlijk een beetje verwarrend. Geen wonder dat ze hem dan hebben opgeheven. Nou, we gaan hem weer aanzetten, hoor. In de loop van de ochtend moet hij het weer doen.”
Ik zal niet zeggen dat ik dit de meest cryptische opmerking van het jaar vind — tót mijn mail het weer gewoon doet. Dan zullen ze wat beleven. Fingers crossed.
Mail mij niet, want mijn mailaccount werkt niet meer. Hij wordt binnenkort gewist. Pardon? Ja, ik weet niet waarom, mijn laatste betaling is van 28 november, maar desondanks is mijn account nu dicht.
Sorry, Uw account wordt binnenkort gewist.
Als U het wissen wilt tegengaan, of andere vragen heeft,
belt U dan zo snel mogelijk de boekhouding op 020-3987654.
Bel zo snel mogelijk, zegt de inlogpagina, maar niet op zondag, want dan zijn we er niet. Mooi dat ik net vanochtend had besloten om vandaag maar eens flink kwaad te worden, dat geeft me een hond om mijn stok op bot te vieren. Als dat een rare volgorde is, dan zal me dat worst wezen. Het is overigens helemaal niet zo ongebruikelijk, zo werkt onze woede meestal, zo bleek uit experimenten waarin proefpersonen adrenaline kregen toegediend, als gevolg waarvan ze prompt allemaal heel goede redenen meenden te hebben om boos te zijn.
Mijn boos heeft te maken met het feit dat ik vanochtend nou alweer niet lekker wakker werd. En dat terwijl ik me dat nog wel zo had voorgenomen. De poes speelt daar een grote rol in, groter dan ik me wel had gerealiseerd. In de eerste dagen na zijn operatie was hij een ander beest: lief, snorrig en ongebruikelijk relaxed. Zou het niet gewoon zo zijn dat ik zijn stress overneem? Dat hoor je wel vaker: dat één lid van het gezin de stress van de hele familie overneemt en somatiseert. Nee? Ik was er al bang voor. In elk geval zijn die eerste dagen nu duidelijk weer voorbij. Vanaf een veel te vroeg moment komt hij rondspringen en heel hard miauwen. Hij heeft het koud, hij wil eten, ik weet niet wat het precies is maar het deugt niet. Wakker word ik er niet meer van, maar die lange ochtenden waarop ik ongestoord mijn dromen uitleef zijn daarmee wel weer van de baan. En ik had nog wel oordopjes ingedaan. Waar in de nacht heb ik die uitgedaan? Ze liggen netjes naast elkaar op mijn nachtkastje.
Daar wilde ik vanochtend over gaan bloggen, en de bevrijdende boosheid inzetten. Dat het niet eerlijk is, dat ik vanochtend zo lekker vrij gehouden had, dat ik een fijn ontbijtje had aangeschaft en me had verheugd op opstaan met radio 2, en dan in een rotvaart alle dingen doen die ik voor vandaag nog had verzameld. De wc’s schoonmaken. Mijn vloer dweilen. De was vouwen. Een paar van de 19 nota’s lezen die in aanmerking komen voor de Taalbokaal. Naar buiten met Rian. Mijn zwager feliciteren.
Dit had verdomme een magdag zullen worden, maar hij is alweer over voordat-ie begonnen is. Wat ik ga doen, is zeggen dat ik de Taalbokaal-stukken niet heb gelezen. Geen tijd voor gehad. Is ook zo. Ik probeer mezelf steeds maar in een veel jachtiger tempo te dwingen dan goed voor me is — dat gáát niet. Dat is roofbouw. Ik zou willen dat ik wist hoe ik het wel moest doen. Hoe ik afkom van dat ge-moet, de hele tijd. Ja, het gaat wel beter, dat is ook zo, maar er blijft een vaste, koppige kern van dwang die al mijn gewroet en getrek weerstaat.
Wat zal er gebeuren wanneer ik dinsdag zeg: “sorry, jongens, ik heb het niet gered, die hele stapel”? Niets, waarschijnlijk: het is zoals het is, ik ben de enige die over mijn agenda gaat. Het enige is, dat ik de komende week ook geen tijd heb. Moet ik dan die Taalbokaal überhaupt wel doen? Ja, dat is ook een goede vraag. Vorig jaar heb ik het gedaan, en toen heb ik een mooie speech gehouden, ik weet niet wat ik daar dit jaar nog aan kan toevoegen. Enerzijds ben ik een goede voor deze commissie: taal is mijn vak en mijn partij staat voor de toegankelijkheid van het bestuur, anderzijds ben ik er de meest verkeerde voor die je maar kunt hebben, want mijn worsteling met dergelijke stukken gaat nooit echt over. Dit is de laatste keer.
Plan: ik kijk morgen naar die stukken, vandaag is voor andere dingen. De wc. Het ontbijt. De radio. Misschien nog even naar buiten met Rian. Mijn zwager feliciteren.
Wat het niet meer gaat worden, ben ik bang, is een lekker luie dag. Ik weet zelfs niet hoe ik er een lekkere dag van moet maken. Ik ben boos. Misschien moet ik dat maar eerst eens een poosje uitleven.
Eerste.
Tweede.
Derde.
Vierde verjaardag van mijn blog, alweer. Voor volgend jaar, als ik vijf jaar in de lucht ben, zoek ik nog iemand die uit mijn taart wil komen springen.
Hebben jullie nog wensen, tips of adviezen voor het komend jaar?
Het gaat weer goed, ik zit weer lekker in mijn vel. Of dat is omdat ik mezelf meer ruimte geef of omdat ik weer zo druk aan het doorgalopperen ben, dat laat ik even in het midden — feit is dat ik vannacht weer bijzonder lekker geslapen heb. En zo lang ook! Negen-en-een-half uur! Dan kan ik het toch niet helemaal verkeerd doen. Dat ik gisteren een uur heb rondgefietst om mijn brief voor het UWV mee te geven aan de laatste lichting, dat helpt natuurlijk ook.
Alle moeite om die brief te posten was tevergeefs, overigens. Het oorspronkelijke adres voor late bezorgingen was vlak achter het station in Utrecht, aan de Mineurslaan. Ik had een expert-meeting aan het Vredenburg, en ik had mijn fiets geparkeerd in de stationsstalling, dus het was een kleine moeite om even om te rijden. Edoch, helaas: het adres aan de Mineurslaan was niet meer in gebruik. Terug naar het Jaarbeursplein, waar een brievenbus stond. “Brieven kunnen tot 21.00u worden gepost op Cartesiusweg 120”, stond daar. Waar was toch ook alweer in vredesnaam de Cartesiusweg? Hoog Catharijne in, gevraagd aan het meisje van de Bruna. De Amsterdamsestraatweg af, totaan het Julianapark, en daar dan linksaf, zei ze. Een paar kilometer fietsen, maar het was pas half negen, dus dat zou ik nog wel redden.
Onderweg nogmaals gevraagd. “Een stukkie verderop, en dan rechtsaf”, zei het jongetje. Mis. De brievenbus die ik daar vond, verwees me naar een dreef die ik niet kende — Overvecht! Daar begon ik niet aan. Dan maar terug naar de Amsterdamsestraatweg, en dat bordje volgen naar Industriegebied Cartesiusweg. Inmiddels was het 21.00u, en geen prettige omgeving om te fietsen. Ik besloot om de kortste weg te kiezen: terug naar het station. Station Zuilen, bleek dat te zijn, en toen bleek ook de Cartesiusweg niet ver weg. Maar nummer 120 was niet te vinden — gesloten, in elk geval, als het nog bestond. Dus toen postte ik mijn brief maar op het Neude. Bij het oude postkantoor. Dat moet goedkomen.
Maar wat deed ik verder zoal, dat ik het zo druk had? Nou ja, ik zei al: die expert-meeting. Die ging over het Electronisch Patiëntendossier, een erg interessant onderwerp vanuit het perspectief van de Digitalisering. Marie-José (nee, niet die, een andere) had me daarmee naartoe gesleept, en inmiddels hebben we besloten dat we onze krachten gaan bundelen in het project Digitalisering. Marie-José brengt behalve een informatica-achtergrond ook een juridische insteek mee, en dat is natuurlijk een prachtige aanvulling op mijn eigen expertise. Dat was gisteren.
Dinsdag zat ik in Groningen, woensdag besteedde ik geheel aan Sinterklaas: kadootjes, gedichtjes, pakjesavond. Dat was geslaagd, gezellig en dierbaar. Maandag een lunch met neef Jan, dat past in dezelfde categorie, en natuurlijk het chagrijnig wezen. Moet ook gebeuren.
En nu moet ik de stukken voor de Taalbokaal gaan uitzoeken. Ik heb ze nog niet compleet, ook al heb ik al twee stapels raadsstukken doorgeploegd. Ik heb er nog twee. Kleintjes. Vooruit met de geit!
“Nou,” zei de therapeut toen hij me uitliet, “doe het lekker rustig aan met Kerst.” “Ik ga mijn best doen”, zei ik. “Ja, denk erom,” zei hij grinnikend, “het is een verplichte opdracht.” Ik moest ook lachen. Dat was één van de thema’s, gisterenavond: durven besluiten om vrij te nemen. Ik kan wel heel rationeel zeggen dat het goed voor me is om vakantie te nemen omdat dat uiteindelijk de creativiteit meer dient, en ik kan wel roepen dat deze periode van werkloosheid een investering is in de toekomst, maar echt voelen doe ik het niet. Dat zou ik heel graag willen, maar in plaats daarvan zit er een levensgroot schuldgevoel.
Ik denk aan mijn zus, die weigerde een uitkering aan te vragen maar in plaats daarvan onmiddellijk aan de slag ging via een uitzendbureau. Goed, ze was toen stukken jonger, en dus veel gemakkelijker te plaatsen, en ze wist nog niet precies wat ze zou gaan worden, maar het principe bleef dat ze elk werk aanpakte dat voorbij kwam. “Dat zou ik ook moeten doen!” zeurt het in mijn hoofd. Maar ik doe het niet, en ik wil het niet. Wat ik ook niet doe, is deze periode aangrijpen om eens goed uit te rusten. Ik heb wéér een bomvolle agenda, en ik loop mezelf nog steeds voorbij. “Misschien is dat nou eens een goed idee,” zei de therapeut met het glimlachje dat ik van hem ken, “als je dat nou eens zou afleren.” “Ja hè,” zei ik, “dat lijkt mij ook leuk om te kunnen.” En dan graven we weer door naar de redenen waarom dat zo moeilijk is.
Ook daar zit weer iets van een taboe op boos worden, op rücksichtslos een standpunt verwerpen omdat het niet goed voor mij is, omdat het me hindert, omdat ik het veel te groot maak. Mijn zus gaat wel rustig drie weken met vakantie, en komt heerlijk uitgerust terug. Zij heeft een manier gevonden om met haar normen om te gaan. Voor mij werken die normen niet. Ik zit vastgebakken aan die strenge stem die me ervan weerhoudt om gewoon een paar dagen niets te doen. Daar zou ik doorheen willen breken, die confrontatie zou ik aan willen gaan. Boos worden, standpunten verwerpen, ruzie maken en voor mezelf opkomen. Ik ben er bar slecht in.
Ook al dood. Gek om je te realiseren dat al die mensen die je vanzelfsprekende culturele klimaat vormen ook sterfelijk zijn.
Dagdroom Elisabeth Eybers
Ek het jou brief gelees terwyl ek eet,
die woordesoet het oor my tong gesprei.
Verby die aardse brood het ek gestaar
dwarsdeur die bome in die raam, dwarsdeur die grys
wolkeplafon tot in die paradys
waar alles lig en helder is. En net
soos in die Bybel was ons naak en het
ek, aangekla, gou hom die skuld gegee
wat skemerig sis… toe ek opeens gewaar
dat ek my halfgerookte sigaret
aftik in my twee-derde koppie tee.
“Goh,” zei bryk, “wat was jij chagrijnig in je mail.” “Niet,” zei ik, “ik ben nooit chagrijnig. Chagrijnig is voor watjes.” “Wel hoor,” zei bryk, “chagrijnig zijn is heel normaal. Had ik gisteren ook. Komt van het weer.” “Onzin,” zei ik, “ik ben twee jaar lang niet chagrijnig geweest. Is gewoon een kwestie van hard doorrennen, dan heb je daar geen tijd voor.” We moesten er allebei erg bij lachen, en toen was alle chagrijn alweer vergeten.
Het is vreemd om te merken dat het zo’n samenspel is van krachten. Dat er momenten zijn dat ze elkaar echt tegenwerken, dat ik enerzijds vastbesloten ben om naar links te rennen, terwijl er tegelijkertijd een even grote vastbeslotenheid is om naar rechts te rennen. Ja, dan val je om.
Dát veroorzaakt volgens mij dat chagrijn: die innerlijke tweestrijd. De ene voet wil naar links: niet een weekendje weg, maar minstens een maand. Lekker naar de zon, veel naar buiten, doen wat er op je pad komt. De andere voet wil aan de slag, dingen ondernemen, projecten van de grond tillen, prestaties leveren, geld verdienen, een pensioen bij elkaar sparen. Maar ook: mensen ontmoeten, nieuwe kanten van mezelf leren kennen, andere wegen ontdekken die me helpen om toch mijn doelen te bereiken. Het bijt elkaar niet eens. Het een is alleen wat luier, wat ontspannener, maar het draagt evenzeer bij aan de creativiteit.
Als ik nu eens zorg dat ik zo snel mogelijk mijn verplichtingen nakom voor het UWV, dan kan ik mezelf de rest van de maand vrijgeven om aan te rommelen. Goed plan, maar niet vandaag of morgen. Overmorgen is Sinterklaas, volgende week moet ik de stukken voor de Taalbokaal bekeken hebben. Daarna dan. Dan heb ik vrij met Kerst en Oud&Nieuw. Tijd om heel veel leuke dingen te gaan doen.
Er zijn twee stemmen in mijn hoofd — twee neigingen die tegen elkaar in werken. De ene stem zegt: relax, ontspan, kom tot rust. De andere stem zegt: aan de slag! Neem initiatieven! Handen uit je mouwen! De stem van ontspannen vindt zijn gelijk in mijn lichamelijke moeheid, in de tevredenheid over wat ik voltooid heb en de opluchting om wat ik heb afgesloten. De stem van ondernemen vindt zijn gelijk in mijn enthousiasme, in mijn plichtsgevoel en in mijn arbeidsmoraal. Ik vind het maar lastig om daar balans in te vinden. Inderdaad: ik ben niet ziek of gehandicapt, en het zou goed zijn om weer aan het werk te zijn. Aan de andere kant: het zou heel goed zijn om eens werkelijk vakantie te vieren, en dat doe ik ook niet.
Misschien is het juist wel goed om deze periode even te gebruiken om bij te komen en mijn krachten te verzamelen, en dan in het nieuwe jaar weer echt met overtuiging aan de slag te gaan. En met dat ik dat denk, knaagt er meteen een schuldgevoel. Wég met het schuldgevoel! Ik denk dat ik een hoop moois kan doen, mits ik tenminste goed voor mezelf zorg, en mits ik er vanuit mijn enthousiasme instap, niet vanuit mijn schuldgevoel. Dat is een struikelblok waar ik al veel te vaak over gevallen ben. Niet meer doen. Werk vanuit je kracht.
Gisteren superontspannen, en helemaal giechelig van het vakantiegevoel, vandaag slaat de stress weer toe. Een drukke week voor de boeg. Op zichzelf leuke dingen: een lunch met achterneef Jan, een bezoekje aan Groningen voor de therapeut, en nou ja, okee, een afspraak met de endodontoloog — maar een endodontoloog is niet zo erg als een kaakchirurg. Logeren in mijn oude huis, lunchen met mijn oud-collega’s, kopje koffie met de mede-activiste. Leuke plannen, maar ik voel me er helemaal niet lekker bij. Vanavond in de trein de scriptie lezen van de mede-activiste, morgen tussen de bedrijven door Sinterklaasboodschappen doen, woensdag proberen om een beetje te dichten.
Een compleet dichtgemetselde agenda.
En vanochtend moet ik zorgen dat ik mijn sollicitatieactiviteiten rond krijg. Weliswaar hoef ik mijn verslag pas op 6 december in te sturen, maar het betreft de periode tot vandaag, dus dat kan ik het beste nu maar regelen.
Fijn dat ik morgen weer een gesprek heb met de therapeut, dat kan ik goed gebruiken. Een rare week, ups en downs, dan weer down en moe, dan weer energiek en vol ideeën. Ik denk dat ik wel weet wat hij gaat zeggen. Hij zei het trouwens al. “Neem even de tijd, ace. Doe het even kalm aan. Als je nou het type was dat niet vooruit te branden was, dan zou ik zeggen: kom eens in beweging. Maar nu…” Rustig een beetje netwerken. Dát is wat ik ga doen.
En wat nou als mijn oud-huisgenoten niet reageren op mijn mailtje? Dan neem ik morgen de trein van 7:50u. Niet fijn, maar ook niet rampzalig. Rustig aan, ace, rustig aan.
Vroeg weg zat er niet in, vrijdag, want de poes was nog aan het bijkomen van zijn operatie en ik wilde even zien hoe hij de derde dag zou doorkomen. Aankomen voor alle files redde ik ook niet, want ik had een lijstje met dingen die nog af moesten. Weg door de files wilde Rian niet want dat vond ze maar tijdverspilling — en ze bleek nog meer gelijk te krijgen, want er was een ongeval gebeurd, voor Arnhem. Dus vertrokken we na het eten richting Arnhem/Oberhausen. Het was nat en donker, maar we hadden een iPod bij ons, en onderweg kochten we een wegenkaart van het Ruhrgebied, dus we kwam heel voorspoedig Essen door. Toen moesten we op zoek naar Kray, een buitenwijk van Essen, en ook dat kwam goed. Een dertien-in-een-dozijnstadje, met een Schlecker, een Deutsche Bank en nog een Schlecker, en een klein stationnetje. Daar voorbij, onder het spoor door, en dan rechtsaf het industrieterrein op.
We keken elkaar aan. Kiezels, kuilen, plassen op de weg. Links een autohandel, rechts een garage, recht vooruit iets zeer industrieels… En toen keken we nog eens goed, en we zagen het hotel, en toen was inene alles weer goed. De Alte Lohnhalle is een industrieel monument, en het is prachtig verbouwd tot hotel. We waren eigenlijk te laat, maar dat gaf niet, we mochten er toch nog wel in, en we werden met grote vriendelijkheid onthaald. De hal was enorm, en zeer smaakvol ingericht, de kamers waren ruim, rustig en sober. Een dubbel bed, een stoel, een bureautje, een TV, en een badkamer met bad. Schoon, nieuw, smaakvol, en een geur van sinasappels en schoonmaakmiddelen. We rolden vrijwel onmiddellijk ons bed in.
En we sliepen goed uit. Douchen, een uitgebreid ontbijtbuffet, en tegen de tijd dat we klaar waren voor de wijde wereld, was de hemel blauw en wolkenloos. We besloten naar de binnenstad van Essen te lopen. Maar eerst een plattegrond van de stad. En eerst een kopje koffie. En eerst geld halen. Het maakte niet uit, we hoefden niets, het was heerlijk weer, en we maakten een praatje met Statler en Waldorf in een Konditorei (“Zur Stadtmitte? Komm, das ist doch viel zu weit! Ich bringe euch!”). Maar koppig besloten we te lopen. En gelukkig maar, want net voorbij Kray Süd lag een volkstuinencomplex van hier tot ginder, en toen we daar tussendoor liepen, voelden we ons alsof we in Zuid-Frankrijk waren.
Het laatste stukje tramden we. En opeens stonden we midden in een Weinachtsmarkt, waar kitsch en koopjes elkaar om het hardst trachtten te overtroeven. Kerststukjes, glühweinkraampjes, vogelhuisjes, Reibekuchen en kerstmutsen, je kon het zo gek niet verzinnen of het stond er. We vluchtten een HEMA in, en dronken er thee. We winkelden nog wat, namen toch maar een glas glühwein, en begaven ons toen toch maar weer in het gewoel om terug naar het hotel te gaan. De tram. Nee, de bus, Nee, toch beter de trein. Of toch de metro? De Straßenbahn, werd het, met een beker hete thee. Strompelend terug naar het hotel.
Bleek de kok ziek, en de keuken dicht. Maar in Kray zelf was nog wel een leuk restaurantje, een Braugasthof. Denkend aan Stiefel Bräu in Saarbrücken, was ik meteen om. Ook dat viel tegen: ze hadden een besloten feest. Het gaf niet. In Kray zit ook Don Camillo, een Italiaans restaurantje, en dat serveerde de lekkerste tortelloni al tartufo die ik ooit gegeten heb. Simpel, maar geweldig klaargemaakt, met een beetje gesmolten boter en wat peper. De gegrillde visjes daarna waren ook lekker, en de panna cotta was okee, maar de tortelloni gaat in het rijtje met de pasta con pesto uit de Cinque Terre, de pappardella alle vongole uit Livorno, en die andere panna cotta uit dat andere restaurantje uit Livorno. Na zoveel buitenlucht en beweging, en na die copieuze maaltijd, lagen we om tien uur in bed. Een boek erbij, en klaar waren we.
Zondag tijdig op. Uitgebreid ontbeten, rustigaan ingepakt, en om 11 uur checkten we uit. Nog een wandelingetje rond het hotel, een kopje koffie bij de Bäckerei, tot het begon te regenen. Dat hield niet meer op. En dus gingen we onderweg naar huis. Op ons gemakje. Via Essen-Süd, langs de Stadtgarten, het Schloß, langs het water. Toeren. We moesten er erg om lachen, voelden ons tachtig — maar mooi was het wel, en een beter alternatief voor dit vieze weer konden we allebei niet bedenken. Het toppunt van erg vonden we de de Imbiß bij het Haus Scheppen aan de Baldeneysee. Een oude ruïne aan het water, met twee eettentjes waar je bockwurst en bier kon krijgen. Het was niet om aan te zien zo treurig en verregend, en toch stonden we er allebei enorm van te genieten. Dat het nog ooit zou ophouden met regenen vonden we allebei onwaarschijnlijk, en dus stapten we maar weer in de auto, en reden naar huis. Knorrend van tevredenheid.
En nu zit ik weer thuis, naast de poes die ook knort van tevredenheid. Hij maakt het wonderlijk goed, het lijkt bijna wel of de operatie ook zijn kop goed gedaan heeft. En buiten regent het onvermoeibaar door. Het kan me niks schelen. Ik zit binnen, met kaarsjes aan, de poes maakt het goed, en naast me staat een grote thermos thee. Vakantie in mijn hoofd.
Gisterenavond, op weg naar huis na de raadsvergadering, hoorde ik op radio 1 dit fraaie sprookje voorlezen. Wat een fraaie stem heeft die mevrouw, dacht ik, en wat geweldig dat ze zo lekker ongegeneerd creatief en dwars durft te zijn. Ze deed me een beetje denken aan die mevrouw die dat liedje zingzegt van die ene tekstdichter. Ik kom er wel weer op. Maar die was 't niet. 't Was Jaap Fischer. Oók leuk, maar toch jammer van die mevrouw.
Sprookje Jaap Fischer
Een koning had eens vijf zonen en een prinses
Zij nu had goudblonde lokken
en ogen als meren die niet konden jokken
En ze was de jongste van de zes
Maar, deze prinses was huwbaar
Vaak gingen de koning en zijn zonen vroeg op pad
En dan joegen ze de hele dag
Terwijl zij thuis te dromen lag en wachtte op
Ze wist niet wat
En deed ze een stap naar buiten
Dan lagen er vreemde prinsen in het gras
Vreemde prinsen te fluiten
Die wisten allang hoe laat het was
De koning zei: ze kon krijgen wat ze bliefde
Ze kon vrijen met lakeien
Ja maar, zeiden de zoons, ja, maar dat is geen liefde
En toen kwamen er drie mannen aan de poort om over liefde te vertellen
En de eerste was een geleerde, en de tweede was een vreemde snoeshaan
En de derde was Hans
En de geleerde mocht beginnen:
Liefde is minnen
En samenzijn
Iets nieuws beginnen, mijn is dijn
Warm van binnen
Verlegenheid, samen in zee, geen ach, geen wee
Maar hola nee, genegenheid
En liefde is niet houden van
Je kan van zoveel vrouwen houwen
Je kan met zoveel vrouwen trouwen
Als je er wat in ziet
Maar liefde is dat niet
Je houdt van kip met appelmoes
En toen knikte de prinses, want ze hield ontzettend veel
Van kip met appelmoes
En toen had de geleerde het over Amor en Caritas
En wat het verschil daartussen was
Over Arabij, Eroos en Filia
Over een diner voor twee met dansen na
En de prinses was stil en zo luisterde ze
En toen ze wat mocht vragen fluisterde ze
En zoenen
Zoenen staat niet in Koenen, zei de geleerde
En ging
En toen mocht de vreemde snoeshaan
En die zei:
O, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
Zo lief, zo zacht en toch zo lelijk als de nacht
Zelfs als ze lacht
O, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
Ik sluit mijn ogen en haar hand sluit in mijn hand
Juist zo klein als zij moet zijn, precies zo fijn als zij moet zijn
Als wijn die je zacht ondermijnt, overmant
En dan weet ik dat ik hou van een beeldschone vrouw
Die zon verduistert, meer zingt dan fluistert
Naar niemand luistert
O, dan weet ik dat ik hou van een beeldschone vrouw
Maar als ze langs sjokt als een paard
Een lelijk paard
De kop omlaag, de vormeloze dijen
Die kinderen doet schreien en schichtig springt en jachtig verder jaagt
Dan oog ik naar de vrouw waarvan ik hou
Ze komt weerom, ik sluit mijn ogen
Dat is dom
Ik weet niet goed wat ik moet doen met deze vrouw
Waarvan ik hou
En toen mocht Hans.
En Hans zei: Ja, ik weet het nog niet
Maar, het moet een meisje zijn met
Prachtige kleren en goudblonde lokken
Met ogen als meren die niet kunnen jokken
Een mond als van honing en dan weer scherp als een mes
En hopelijk is haar vader koning en zij dan prinses
Maar
Ze moet Liesje heten
En toen keek de prinses hem aan en zei:
Ik heet Esmeralda
Maar zeg maar Liesje
Dinsdag was ik naar De noodzaak van vrede, in De Duif in Amsterdam. Een prachtige ruimte, boeiende mensen, een mooie route ernaartoe — maar mijn hormonen waren in de war, en ik voelde me naar. Alle goede bedoelingen werkten dus precies verkeerd. Geblinddoekt naar mijn plek gebracht worden — een initiatief van een groep vluchtelingekinderen om te laten voelen hoe het is om je blindelings te moeten overgeven — was ontwrichtend. De hand van de buurman vastpakken om ook verbondenheid te voelen met onbekenden was een inbreuk op mijn privacy. Na afloop vluchtte ik naar huis.
En tegelijkertijd stond ik erbij en keek ik ernaar. De therapie heeft me geleerd om volwassen te zijn naast mijn eigen kinderlijke angsten. Om voor mezelf te zorgen, om te beginnen, maar ook om te kijken wat er gebeurt. Spieken door de scheur in het voorhangsel. Wat woelt er als ik me zo voel? Welke wortels steken er uit wanneer het zo woekert in mijn gemoed?
Ik realiseerde me dat dat is wat ik op dit weblog doe: proberen om te zien wat er achter het voorhangsel is, en dat proberen te leren kennen. Het ziet eruit als een bloemetjesgordijn, namelijk: lief, aardig, beleefd, opgewekt en vrolijk. En nu is dat ook wel waar ik me het prettigst mee voel, maar dat kan alleen maar wanneer ik ook weet wat er achter zit. En op dagen dat ik me ontwricht en naar voel, vallen mijn negatieve emoties niet achter een gordijntje weg te stoppen. Op den duur gaat dat toch bollen. Zo’n gordijntje moet versiering zijn, geen betonnen muur. Als je het wegtrekt, moet daar gewoon een kamer achter zitten, geen gevangenis.
Dat is niet gemakkelijk te bereiken, die situatie. Jezelf serieus nemen is daarvoor een heel belangrijke voorwaarde. Niet alleen de sociaal wenselijke emoties vertonen, maar ook ruimte geven aan de sociaal niet zo wenselijke dingen. Mediteren op wat je voelt, bijvoorbeeld: leren om alles maar gewoon te laten zijn. Wat dat betreft is die yoga ook een goed ding.
Dinsdag was ik daar weer. De oefeningen waren om voor ik er erg in had, en het laatste kwartier besteedden we aan ontspanningsoefeningen. “Stroming”, was dit keer het thema, en het beeld dat ik had, was van mijn lichaam als een hol, bronzen beeld waar van boven naar beneden een stroom van licht doorheen kwam. Honingkleurig licht, amber, zonwarm. “Ambrosia, wat vloeit mij aan…” Een heerlijk beeld om je aan over te geven. Niet goed of slecht, maar gewoon er zijn, deel uitmaken van een groter geheel.
Het gaat niet om de schone zijn. Het is gewoon goed. Ik mag er zijn.
Hij is er weer. Aangeslagen, is denk ik de beste uitdrukking. Dat ik 'm zóiets kon aandoen! Gisterenavond groggy en stram, vanochtend alweer een stuk meer zichzelf. Hij heeft een mieuwtje dat ik niet van hem kende, en een rasp in zijn snor die hij vermoedelijk heeft overgehouden van de slangen in zijn keel. In zijn jas loopt een grote ritssluiting, want hoewel de tumor niet heel groot was, heeft de dierenarts er toch ruim omheen moeten werken. Eventuele uitlopers moesten mee. Een facelift, zei iemand. Een poedelkapsel, zei een ander. En inderdaad, daar heeft het ook wel wat van weg. De kapper is flink uitgeschoten, dat wel.
Nu ligt hij in zijn hangmat voor de verwarming, en alles is weer goed. Af en toe droomt hij, en roept hij verschrikt om zijn moeder. En als hij wakker wordt, dan komt hij even bij me langs om gerustgesteld te worden. “Dit hoeft toch nooit meer?” vraagt hij me. Nee poes, dit hoeft nooit meer. Beloofd.
Het hoogste aantal stemmen dat iemand gehaald heeft op het SP-partijcongres, is de Heerlense wethouder Riet de Wit. Meer dan Jan Marijnissen (804), meer dan Hans van Heijningen (675): Riet de Wit heeft er 965 behaald. Maar Riet is verkozen tot partijbestuurder, en dat is toch een minder omstreden post. En Riet is een capabele, vriendelijke en langdurige SP’er, waar alle gelederen waardering voor hebben. Riet zat bovendien het partijcongres voor, op dezelfde vriendelijke en capabele wijze. Geen betere exposure denkbaar.
Ik heb 455 stemmen behaald. Op eigen kracht: door wat mensen van me gezien hebben, door mijn campagne en vermoedelijk ook een aantal puur omdat ik een tegenkandidaat was. Maar dat laatste is hooguit een derde, want niet alle tegenkandidaten haalden zoveel stemmen. 455 stemmen is 47% van wat Riet de Wit behaalde. Wat het aandeel is van het totale aantal stemformulieren, dat weet ik niet. Er waren 1100 mensen op het congres, maar niet iedereen was stemgerechtigd.
Ik ben bepaald niet ontevreden. Het was niet genoeg om te winnen, maar het is absoluut meer dan alleen maar een troostprijs. De SP heeft nog niet het laatste van mij gezien.
Hij snapte er niets van, de kleine poes. Ik kwam thuis en de brokjes waren op, dus het kon toch geen moeite zijn om zijn bakje bij te vullen. Hij miauwde er hard om, en meestal begrijp ik het dan toch vrij snel. Maar ik had eerst mijn eigen bezigheden. Jas uit, tas wegzetten. Vooruit, dat was hij wel gewend. Hij bleef maar bij zijn bakje zitten, de brokjes kwamen er ongetwijfeld zo aan. Maar in plaats van brokjes te geven, ging ik mijn mail checken. Hij bleef me verwijtend aan zitten kijken. Ik reageerde niet. Boos miauwend ging hij op mijn bed liggen.
Tweede kans: het tanden poetsen. Hij wachtte geduldig, miauwde nog eens nadrukkelijk, maar ook daar kwamen geen brokjes. Naar de wc, lichten uit, pyjama aan, niks. Met vier priemende pootjes kwam hij op mijn buik zitten, en klaaglijk zong hij zijn leed. Ik deed oordopjes in. Hij begreep er niets van.
Vanmorgen zat hij weer klaar toen ik uit mijn bed kwam. Maar in plaats van brokjes te krijgen, gingen we naar beneden, waar de reismand staat. De auto in — had ik dat eerder gezegd! Dan was hij nog wel even op de bak gegaan. Nu, tja, sorry. Overmacht.
Dan de dierenkliniek. Die kende hij. De reismand waar hij eerder niet in had gewild, werd nu een veilige haven. Niks d’rvan dat hij eruit zou komen. Helemaal niet. Maar tegen twee mensen kon hij niet op. Hij liet zich geschrokken wegen, en kroop in mijn armen toen dat klaar was. Dan door naar de hokken. Mijn sjaal erin was een goed idee, die was warm, en rook vertrouwd. Hij liet zich nog even aaien, en kalmeerde. En juist daardoor had ik het opeens even te kwaad. Zulk vertrouwen, en dat terwijl het ergste nog moet komen.
Mijn kamer is koud en leeg. Nu is het wachten op het telefoontje. Hoe langer dat duurt, hoe optimistischer ik word, want als bij de eerste röntgenfoto al blijkt dat er uitzaaiïngen zijn in de longen, dan beginnen ze er niet meer aan. Ik steek maar een kaarsje op.
Update
“ace, de foto is goed, hoor!”, zei de dierenarts aan de telefoon. “Bij sommige foto’s heb je dan nog vlekken waar je onzeker over bent, maar ik zie echt helemaal niets. Bloedonderzoek is ook goed. Zal ik hem maar opereren?” Graag. Hoera!
Update 2
“'t Is goed gegaan,” zei de dierenarts, “operatie geslaagd.” Hij is bezig wakker te worden uit zijn narcose, en op te warmen van de operatie waar hij een beetje onderkoeld was geraakt. Eind van de middag kan hij weer naar huis. Met een hele nieuwe ritssluiting in zijn jas. Aggos.
Er moeten weer zes miljoen dingen, en ik heb er geen zicht op. Ik word daar erg onrustig van. Kribbig, vervelend. Hoort erbij wanneer je werkloos bent, weet ik ook wel. Je moet je eigen tijd indelen en je eigen prioriteiten stellen, en daar ben ik niet wat je noemt een natuurtalentje in. Misschien moet ik toch maar eens een echte papieren agenda aanschaffen, en niet op mijn hoofd vertrouwen. Heb ik al veel te vaak geprobeerd, werkt niet, weet ik ook. Maar ik heb nog steeds geen methode gevonden waar ik dan wél lekker mee werk. De lijstjes werken goed, maar ik kan moeilijk mijn voddige opschrijfblokje overal mee naartoe slepen. En om afspraken in te plannen heb ik mijn electronische agenda. Werkt ook goed, maar niet om klussen bij te houden. Bovendien: de klussen vallen me op de gekste plekken toe: in de raad, tijdens overleg, bij de therapie, aan tafel, onder de douche. Daar valt niet tegenop te slepen.
Misschien moet ik maar een trein eerder nemen, en kijken of ik in Amsterdam niet nog een fijn opschrijfboekje kan vinden dat ik wél overal mee naartoe wil slepen. Waar ik graag in schrijf, maar waar ik ook zonder meer bladzijden uit kan scheuren, zodat ik steeds weer opnieuw met een schone bladzijde kan beginnen. Ja, lezer, de kronkels van de hersenen van een neuroot zijn onnavolgbaar.
Waar het om gaat, is dat ik wil overzien wat er moet gebeuren. Dat ik niet steeds zenuwachtig word van wat er nog dreigt in het donker, maar dat ik bewust prioriteiten stel en keuzes maak. Donderdag raadswerk: zorg dat je voorbereid bent. Maandag werkbriefje inleveren, zorg dat je de sollicitatieactiviteiten op tijd verricht hebt. Volgende week therapie, zorg dat de formaliteiten rond zijn. Volgende week Sinterklaas, zorg dat je kadootjes hebt, en een vers. Over drie weken moeten de Taalbokaal-stukken gelezen zijn: plan dat in.
Dat moet er gebeuren. Voorlopig dan maar in mijn voddige opschrijfboekje. Als ik ze meteen maar afhandel, dan hebben ze ook niet de kans om stiekem uit te groeien tot een dreiging in het donker. Plan 1: een witlofschotel klaarmaken. Nu.
“Liedjes voor tijdens mijn begrafenis”, noemde Erik-Jan Harmens de categorie waar hij ook Brilliant Trees in opnam. Ik weet nog niet of ik daar David Sylvian bij zou willen hebben — misschien Forbidden Colours. Wat ik wel al tijden op mijn lijstje heb staan is Raaf Hekkema’s bewerking van de Caprice XXIV van Nicolò Paganini. Na een jaar intensief beluisteren word ik daar nog steeds heel gelukkig van.
Maar wat er ook op moet, is een aria uit Händel’s Messiah, But who may abide. Om de een of andere reden speelt die aria herhaaldelijk door mijn hoofd, en als een lijfdeun komt hij steeds weer bovenborrelen. Dat moeten we dan misschien maar gewoon honoreren. De muziek is prachtig, hoor ik als ik 'm op YouTube terughoor, dus dat alleen is reden genoeg. Meestal doet de tekst ook wat voor me, als een trigger om me te binnen te schieten, maar dáár zie ik bij teruglezen niet zoveel van terug. Soit. Ik was voorlopig nog niet van plan om dood te gaan.
6. Aria (alto) (Mal. 3:2)
But who may abide the day of His coming,
and who shall stand when He appeareth?
For He is like a refiner's fire.
Wie zal die dag kunnen doorstaan?
Wie zal overeind blijven wanneer hij verschijnt?
Hij is als het vuur van een smid.
Wat een verschil, deze kaakchirurg met de vorige. Afgezien van het feit dat deze kaakchirurg een vrouw is, en de vorige een man, is dit ook een kaakchirurg die je als mens benadert, en niet als ding. Ik word met terugwerkende kracht kwaad op hem, met zijn botte-horkengedrag. Alle twijfel die ik nog had over mijn rol in het vorige verhaal (“wat ben ik nou voor mietje!”) is helemaal weggenomen door deze vrouw.
Mijn angsten serieus nemen: begrijpen dat ik geen zin heb in een ingreep, maar wel uitleggen wat de alternatieven zijn. Mij de keus laten maken, en vragen waar ik precies bang voor ben. En dan maar gewoon uitleggen hoe groot de risicio’s zijn dat ze bij extractie een zenuw beschadigt (0,2%), en wat de gevolgen zijn van niet weghalen (een abces waar niet tegenop te verdoven valt). De procedure, hoe ze om de zenuw heen werkt. Mijn keuze, ik bepaal wanneer ik het laat doen. En dat ik rekening moet houden met een dag of drie, vier om te herstellen.
Nog geen pretje, maar wel te overzien. Begin volgend jaar ga ik een afspraak maken.
Zenuwen. Kaakchirurg, straks, en voor die tijd moet ik eigenlijk nog mijn werkbriefje invullen en posten, voor de periode van 1 oktober tot 5 november. Slechts op vijf dagen uit die periode was ik werkloos, en twee van die vijf dagen waren weekend, terwijl ik op de overige drie dagen drukdrukdruk in de weer was met het politieke spektakel. Dus heb ik veel genetwerkt? Ja, maar niet voor een baan. Dat hoeft ook niet, officieel, officieel moet je gemiddeld vier keer in de vier weken solliciteren, dat komt niet op een dag. Maar ik moet wel iets invullen. Dan de periode ervoor. Dat hoort ook bij het gemiddelde, en daar heb ik wel netwerkgesprekken gehad over werk. Wanneer ook alweer? Komt goed.
Dat was niet het congres waar ik was. Het is ook niet de partij waar ik lid van ben. Ik herken me niet in het beeld dat er in de media geschetst wordt. Wat niet gezien lijkt te worden, is het feit dat de partijleiding simpelweg heel veel vertrouwen geniet bij de achterban. Dat wil niet zeggen dat er niets mis gaat. Er gaat het nodige mis, en dat korte lontje van Jan Marijnissen is daar een voorbeeld van. Een lastig baasje: koppig, eigenzinnig, dwars, ongeduldig, en met weinig tact. Een haantje. De keerzijde van de charismatische, bevlogen, idealistische leider, de prijs die er blijkbaar betaald moet worden voor de 25 jaar onafgebroken verbeten strijd voor een beter Nederland. Een lastige kwestie die ik graag opgelost zou zien worden, maar niet iets wat de werkelijke idealen en prestaties van de SP raakt.
In de idealen van Marijnissen herken ik me volkomen, en voor de manier waarop de partij die in de praktijk brengt, kan ik alleen maar heel veel respect hebben. Kijk naar wat de SP voor elkaar krijgt: 50.409 leden, 342 raadsleden, 83 statenleden,28 wethouders, 25 parlementariërs, 11 senatoren, 2 europarlementariërs. 463 volksvertegenwoordigers die samen met die andere 49.946 leden proberen om Nederland een socialer, rechtvaardiger en menswaardiger land te maken. Dat kan helaas niet voorkomen dat er ook mensen zoals Verdonk, Wilders en Kamp opstaan, maar het zorgt er in elk geval voor dat er wat tegenwicht is tegen regelneven, angsthazen en haatzaaiers. Anders dan die lieden is de SP tenminste een partij van bouwers, van analyses en van alternatieven. De SP zet mensen in hun kracht. Empowerment heet dat, zo leerde ik vrijdag.
Er heerst een grote mate van eensgezindheid onder SP’ers in mijn omgeving. We hebben nog een hoop te leren — bijvoorbeeld om discussies over fundamentele zaken niet meteen af te doen als geleuter (“In gelul kan je niet wonen”) — maar de fundamenten van deze club deugen. Daar ben ik vast van overtuigd.
Ik kan iedereen aanraden om op zo’n manier een verkiezing te verliezen als ik vandaag deed. De SP had vandaag haar partijcongres, en daarvoor verzamelden zich zo’n 1100 mensen in de Van Nelle ontwerpfabriek in Rotterdam. Het spektakel begon om kwart voor 10, dus dat was dauwtrappen voor de mensen uit Limburg en Groningen. Vóór aanvang heb ik, met een paar mensen van mijn afdeling, rondgerend om flyertjes uit te delen met een foto, en de volgende tekst:
Stem ace!
Goeiemorgen zontomaatjes!
Hier is jullie favoriete tegenkandidaat. Hebben jullie er ook zo'n zin in, vandaag? Lekker vroeg uit de veren, vanmorgen, en nu helemaal fris en fruitig? Klaar om weer eens lekker in debat te gaan met ons eigen favoriete dictatoriale regime? Rode potlood bij de hand? Veel plezier, vandaag, en vergeet niet: een dag niet gestemd is een dag niet geleefd!
Niet iedereen zag er de humor van in, maar de mensen die me kenden moesten er erg om lachen. En ik kreeg veel steunbetuigingen. Heel veel. Iedereen die ik ooit ontmoet had — uit de regio, op congressen, op cursussen, op zomerscholen — én een hoop onbekenden, kwamen me vertellen dat ze op me gingen stemmen. De afdeling Rotterdam deed zelfs nog een goed woordje voor de niet-Kamerleden (“en we kennen haar als een goede SP’er”), en ook mijn eigen afdelingsvoorzitter maakte op prachtige wijze reclame voor me. Complimenten van de fractievoorzitter van de Eerste Kamer (“Geweldige campagne, ace!”), zoenen van Anja Meulenbelt. Na zo’n stortvloed aan adhesiebetuigingen kon de dag kon met geen mogelijkheid meer stuk.
Maar gekozen ben ik niet. Hoeveel stemmen ik heb gekregen, en hoe ver dat afstaat van de laatste kandidaat op de lijst, dat heb ik nog niet achterhaald. Dat komt nog, hoop ik. En aan de ene kant vind ik het jammer, want ik had natuurlijk niet voor niets campagne gevoerd. Bovendien had ik graag de kritische stem van het onafhankelijke ongebonden bestuurslid laten horen. Gezien de vele steunbetuigingen is daar best behoefte aan. Maar aan de andere kant was het een flinke last die ik op mijn schouders had moeten tillen, en dat ik die tijd nu overhoud voor mijn andere plannen en ideeën, is mooi meegenomen.
“Kom maar eens praten”, zei het hoofd van het wetenschappelijk bureau. Een nieuw avontuur is in de maak.
Ik was 17, of daaromtrent, ik had net mijn HAVO-diploma gehaald. Met mijn beste vriendin, Anne, bracht ik een zomervakantie door in de Indische buurt in Den Haag. Die hele zomer was doordrenkt met de muziek van David Sylvian, mijn grote held, destijds. Ik leek wel wat op hem, blond, mager, androgyn, en hopeloos lijdend aan het leven. Deze foto dateert uit 1986, en is gemaakt vanwege een schminkcursus.
De muziek was anders dan alle andere muziek die ik kende, en ik kon hem niet vaak genoeg horen. Wat ik er nu precies zo mooi aan vond, dat weet ik niet eens meer, maar ik vermoed dat het de vrijheid was die ik in de originaliteit hoorde. Je kon heus je eigen weg gaan, dat wilde ik graag bevestigd hebben.
Het filmpje dat erbij hoorde, heb ik nooit gezien. Het was de tijd dat MusicBox net op de kabel kwam, maar dat had je niet in het dorp waar ik woonde. Anne had dat wel, en als ik daar op bezoek was, en we hangend op de bank absurdistische verhalen schreven, dan stond de TV aan in de hoop dat er filmpjes gedraaid zouden worden van The Cure of van Joy Division, die Anton-Corbijnjuweeltjes. Red Guitar herinner ik me wel, maar op Brilliant Trees heb ik ruim 20 jaar moeten wachten, tot Erik-Jan Harmens hem op zijn weblog zette.